Monitoringseisen CO2
De monitoringseisen voor CO2-emissiehandel zijn vastgelegd in de Regeling Monitoring handel in emissierechten (MR). Het CO2-deel van de MR is door de NEa op een toegankelijke manier uitgewerkt in de Leidraad CO2-monitoring. Hieronder vindt u, aanvullend op de Leidraad CO2-monitoring, over enkele onderwerpen nadere uitleg.
Emissiefactor voor aardgas
U moet gebruik maken van de emissiefactor die in uw gevalideerde monitoringsplan is vermeld:
- Als in uw monitoringsplan staat dat u de vaste emissiefactor (tier 1) hanteert, moet u de CO2-emissie berekenen met een emissiefactor van 56,8 ton CO2/TJ.
-
Als is vermeld dat u de landspecifieke emissiefactor (tier 2A) hanteert, moet u de berekening over 2009 uitvoeren met een emissiefactor van 56,7 ton CO2/TJ. Een overzicht van landspecifieke emissiefactoren kunt u vinden op de website van de UNFCCC.
-
Als u in het monitoringsplan hebt aangegeven dat u gebruik maakt van de jaarlijkse (standaard)emissiefactor van VROM, moet u een emissiefactor van 56,7 ton CO2/TJ toepassen voor 2009. Voor het emissiejaar 2010 is deze emissiefactor vastgesteld op 56,6 ton CO2/TJ. Met deze emissiefactor voldoet u aan tier 3.
De jaarlijkse (standaard)emissiefactor van VROM is vastgesteld aan de hand van een onderzoek dat is uitgevoerd door Gasunie Engineering BV in opdracht van het Ministerie van VROM, in samenwerking met Agentschap NL. De emissiefactor is de uitkomst van een flowgewogen gemiddelde van de 34 gasgebieden in Nederland waarvoor elk uur de CO2-emissie per m³ wordt bepaald, gecombineerd met de cijfers van het Zebra gasnetwerk.
Meetonzekerheden
In het monitoringsplan moet u in sommige gevallen meetonzekerheden voor bepaalde source streams uitwerken en onderbouwen. Wanneer dit het geval is en op welke wijze u dit moet doen staat beschreven in het infoblad 'Hoe bepaal ik meetonzekerheden voor CO2-emissiehandel?'
In dit infoblad is uitgegaan van meetonzekerheden die u moet berekenen voor source streams die uit meerdere deelstromen bestaan (optelling). Het kan echter ook zo zijn dat u meetonzekerheden moet berekenen voor een source stream, waarvoor de hoeveelheid wordt berekend door een deelstroom af te trekken van een hoofdstroom, bijvoorbeeld wanneer een hoeveelheid brandstof wordt verstookt door een eenheid die niet onder CO2-emissiehandel valt. In dat geval moet de formule uit Stap 5 van het infoblad worden aangepast door in de noemer (onder de streep) mintekens te gebruiken in plaats van plustekens.
Meetfrequentie variabelen
Voor sommige source streams kan het vereist zijn dat u de waarde voor de verschillende variabelen zelf meet of laat meten. Het gaat bijvoorbeeld om de calorische onderwaarde en de emissiefactor. U zult deze variabelen moeten (laten) bepalen met een voorgeschreven maximale meetonzekerheid. De NEa heeft een hulpmiddel ontwikkeld om vast te stellen conform welke frequentie u analyses moet uitvoeren om aan de onzekerheidseis te voldoen.
Niet-geaccrediteerde laboratoria
Als uw als bedrijfslocatie gebruikt maakt van niet-geaccrediteerde laboratoria moet u aan de NEa kunnen aantonen dat de gebruikte laboratoria voldoen aan vergelijkbare vereisten als de eisen die vastgelegd zijn in EN ISO 17025:2005. Daarnaast moet u aantonen dat de laboratoria technisch competent zijn en in staat om technisch geldige analyseresultaten te produceren. Als dit voor uw bedrijfslocatie het geval is, dient u hierover contact op te nemen met de NEa. Zij zal u een vragenlijst toesturen op basis waarvan u bovenstaande analyse kunt maken.

