Gerapporteerde hernieuwbare energie vervoer in 2016 met 1,3% gedaald

Hoewel bedrijven in 2016 aan de gestegen jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer (van 6,25% naar 7%) hebben voldaan, is de gerapporteerde fysieke hoeveelheid geleverde hernieuwbare energie gedaald. Dit komt door de inzet van meer dubbeltellend materiaal (afvalstoffen en residuen). Hierdoor is de hoeveelheid HBE’s voor deze leveringen netto gestegen met 4,5%.

Dit concludeert de NEa in haar “Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland 2016”, die zij vandaag heeft gepubliceerd.

De NEa rapporteert jaarlijks op nationaal niveau over de hoeveelheid aan vervoer geleverde hernieuwbare energie, waarvan de gegevens zijn ingeboekt in het door de NEa beheerde register. De rapportage gaat onder andere in op de totale hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare energie in en de bijbehorende duurzaamheidskenmerken, zoals aard en herkomst van de grondstoffen.

Belangrijkste conclusies

  • De inzet van dubbeltellende biobrandstoffen is weer gestegen (van 56 naar 66% op basis van fysieke energieinhoud). Deze stijging is hoofdzakelijk veroorzaakt door dubbeltellende FAME. Daarbinnen is weer meer gebruikt frituurvet geleverd dan in 2015, waarbij de groei met name afkomstig is uit Azië (niet zijnde ZO-Azië).
  • Gebruikt frituurvet levert de grootste grondstofbijdrage (55%) aan de ingeboekte biobrandstofleveringen in 2016.
  • De inzet van koolzaad/raapzaad is sterk afgenomen en de (in 2015 toch al kleine) inzet van de landbouwgewassen palmolie en soja is gereduceerd tot 0.
  • Dit betekent dat de dieselvervangers in 2016 vrijwel geheel zijn gebaseerd op afvalstoffen en residuen (>99%). De benzinevervangers daarentegen zijn in 2016 vrijwel geheel gebaseerd op landbouwgewassen (99%).
  • Voor alle lidstaten geldt in 2020 de Europese verplichting om 6% broeikasgasemissiereductie in de brandstofketen te realiseren. Het nationale percentage is licht gestegen (van 2,5 naar 2,7%). Er moet nog 3,3% overbrugd worden om de EU-doelstelling te behalen.