Op 29 april 2025 ontving het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEa) van u het verzoek om het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens te toetsen op uitvoerbaarheid en inzicht te verschaffen in de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering per 1 januari 2026.
Conclusies
De conclusie van deze uitvoeringstoets is dat de bevoegdheden die met dit wetsvoorstel aan de NEa zijn toegekend in de basis toereikend zijn voor de uitvoering. Wel is er nog een uitbreiding van de verbodsbepaling van artikel 16c.3 van het wetsvoorstel nodig om af te kunnen dwingen dat een toegelaten CBAM-aangever voor de toelating relevante wijzigingen onverwijld aan de NEa meldt.
De CBAM-verordening waar het wetsvoorstel betrekking op heeft kent wel een aantal uitvoeringsrisico's:
- Zolang dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde ministeriele regeling nog niet in werking zijn, is de NEa niet in staat om intensief te toetsen op alle criteria voor het verstrekken van toelatingen. Dit brengt risico's met zich voor de naleving van de CBAM-verplichtingen door CBAM-aangevers en kosten voor het uitvoeren van eventuele herbeoordelingen na 2026. Het bestuur verzoekt u om de grondslagen voor een volledige beoordeling zo snel mogelijk na inwerkingtreding op te nemen in de ministeriële regeling.
- Het toezicht op de juistheid van de emissiegegevens in de CBAM-aangiftes kent beperkingen, omdat deze emissiegegevens afkomstig zijn van installaties uit derde landen en de NEa geen inzicht kan verkrijgen in de monitoring van de emissies door deze installaties. Dit risico is inherent aan het CBAM en zal in de uitvoering geadresseerd moeten worden door internationale samenwerking.
- De CBAM-verordening verplicht het bestuur van de NEa in bepaalde gevallen om een boete op te leggen, waarbij de minimale hoogte van de boete dwingend is voorgeschreven. Het bestuur kan niet afzien van boeteoplegging als de overtreding niet verwijtbaar is of overgaan tot matiging als de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en kan in de praktijk ook tot onevenredige situaties leiden. Dit heeft ook invloed op het aantal bezwaar- en beroepszaken.