Aandachtspunten inboeken vloeibare biobrandstoffen

U mag alleen duurzame biobrandstoffen inboeken, die fysiek aan de Nederlandse markt voor vervoer zijn geleverd. De eis om fysiek aan te tonen dat er biobrandstof is geleverd, sluit aan op het feit dat een massabalans alleen gevoerd kan worden over biobrandstoffen.

Aantoonbaar leveren van vloeibare biobrandstoffen

De NEa merkt dat de aantoonbaarheid voor bedrijven soms nog een uitdaging is en vragen oplevert. Wat bekent dit ‘aantoonbaar leveren’? Om dit te verduidelijken enkele belangrijke handvatten:

  • Een bewijs van duurzaamheid is geen bewijs dat er biobrandstof aanwezig is in een levering. Een bewijs van duurzaamheid is een document om de duurzaamheid van een biobrandstof aan te tonen. Dat er daadwerkelijk sprake is van een biobrandstof, moet op een andere manier worden aangetoond.
  • Hoe dit moet gebeuren, is niet vastgelegd in wettelijke voorschriften. Hiervoor kunnen bedrijven een aanpak kiezen die aansluit op hun interne beheersprocessen. In ieder geval geldt dat de inspecteur van de NEa tijdens zijn inspectie onomstotelijk moet kunnen vaststellen dat voor inboekingen voldoende bewijs is van de fysieke levering van biobrandstof.
  • De inboeker is zelf verantwoordelijk voor het aantonen dat de levering een biobrandstof bevat. Enkel een schriftelijke verklaring van zijn leverancier dat die hem biobrandstof heeft geleverd, is in ieder geval onvoldoende bewijs.
  • De meest voor de hand liggende manier om aan te tonen dat er sprake is van een bepaalde hoeveelheid biobrandstof is het bemonsteren en analyseren van de brandstof zoals die wordt uitgeslagen, bijvoorbeeld om het FAME-gehalte van een uitgeslagen diesel te bepalen.
  • Voor bepaalde biobrandstoffen zal de bewijsvoering meer investering vragen van de inboeker. HVO is bijvoorbeeld met gangbare analyses moeilijk te onderscheiden van GTL, maar met een C14-analyse (koolstofdatering) is dit wel te realiseren. De NEa heeft het ‘HVO-kader’ ontwikkeld voor biobrandstoffen die alleen met behulp van een C14-analyse als biogeen te onderscheiden zijn van hun fossiele evenknie. Dit kader geeft inboekers handvatten bij het aantonen dat de ingeboekte biobrandstof ook daadwerkelijk biogeen is. De methodiek in het kader geldt voor alle leveringen vanaf 1 oktober 2021.
  • Aanvullend aan bemonstering en analyse, moet er in ieder geval ook een goede en volledige administratie worden bijgehouden van voorraden, overpompingen en leveringen. Bedrijven moeten in hun administratieve procedures hebben vastgelegd hoe zij voor hun inboekingen het ‘aantoonbaar leveren’ waarborgen.

Inboeken van leveringen aan de zeevaart

Voor alle leveringen van biobrandstof geldt, dat deze alleen ingeboekt mogen worden als de biobrandstof aantoonbaar geleverd is aan de Nederlandse markt voor vervoer. Een belangrijke eis hierbij is, dat het brandstofmengsel dat de biobrandstof bevat, moet zijn uitgeslagen tot verbruik.
De uitslag tot verbruik moet uit de accijnsboekhouding van de inboeker blijken. Het gaat hierbij ook om elementen als de douanestatus van het brandstofmengsel (alleen Uniegoederen -ook wel T2- kunnen uitgeslagen worden) én de gehanteerde bunkerprocedure, zoals bijvoorbeeld de 'Vereenvoudigde bunkerprocedure' (Handboek Douane, hoofdstuk 10.60.00, paragraaf 4). De 'Zeevaartbunkerprocedure 2019' (Handboek douane, hoofdstuk 10.60.00, paragraaf 5) leidt in ieder geval niet tot uitslag tot verbruik maar tot uitvoer, zo heeft de Belastingdienst aan de NEa bevestigd.
Zie ook dit document voor meer informatie.

Onderste verbrandingswaarde bij niet-standaard biobrandstoffen

Voor sommige biobrandstoffen van het REV geeft de Richtlijn hernieuwbare energie geen onderste verbrandingswaarde. Dit is bijvoorbeeld het geval bij geraffineerde olie, bionafta en maritieme biobrandstof.

In zulke gevallen moet de inboeker de onderste verbrandingswaarde van de betreffende biobrandstof laten vaststellen door een volgens ISO/IEC17025 geaccrediteerd lab. Hierbij geldt dat de opgegeven verbrandingswaarde representatief dient te zijn voor de ingeboekte brandstoffen. De inboeker moet op het moment van inboeken beschikken over een bewijsstuk hiervan. In het REV kan de inboeker zelf de onderste verbrandingswaarde opgeven.

Zie ook artikel 2 van de Regeling energie vervoer.

Koppelen dubbeltellingverklaring aan inboeking

Sinds de zomer van 2021 is het mogelijk om een inboeking op een later moment te koppelen aan een dubbeltellingverklaring.

Let op!
- Als u de dubbeltellingverklaring later wilt opvoeren en koppelen aan de inboeking, dan moet u bij het invoergegeven “dubbeltellend claimen” van de betreffende inboeking de optie “later” selecteren. Alleen dan kan u nog later een dubbeltellingsverklaring aan de inboeking koppelen.
- Als u de dubbeltellingverklaring later wilt koppelen, dan moet uiterlijk 28 februari 2022 de verklaring zijn opgevoerd en gekoppeld aan de betreffende inboekingen.
- U kunt alleen de dubbeltellingverklaring later opvoeren en koppelen. De overige gegevens van de inboeking zijn niet wijzigbaar.
- Als u ervoor kiest om de dubbeltellingverklaring later te koppelen, dan wordt in eerste instantie alleen het aantal enkeltellende HBE’s bijgeschreven. De HBE’s vanwege dubbeltelling worden bijgeschreven zodra de dubbeltelingverklaring is gekoppeld aan de inboeking.

Zorg voor een correcte registratie van de inboeking

Het is belangrijk dat u uw inboekingen in één keer correct registreert vóór de uiterste registratiedatum. De NEa zal alleen in uitzonderlijke situaties overgaan tot het corrigeren van inboekingen in het voordeel van bedrijven.

Wij adviseren u om de administratieve processen van uw bedrijf zo in te richten, dat de gegevens volledig en juist kunnen worden ingevoerd. De fiatteursrol in het REV kan hierbij helpen. Als de rekeninghouder één of meerdere fiatteurs heeft toegewezen, zal een tweede paar ogen de opgevoerde gegevens moeten goedkeuren alvorens deze definitief zijn geregistreerd.

Wilt u fiatteurs toewijzen? Zorg er dat u een aanvraag voor de fiatteursrol tijdig indient via een wijzigingsverzoek. Houdt rekening met een doorlooptijd van 3 weken ná correcte aanlevering van de benodigde aanvraaggegevens.

Verdere aandachtspunten bij inboeken

  • Inboeken gebeurt op basis van het uitgaande bewijs van duurzaamheid dat u als gecertificeerd bedrijf zelf opstelt, niet het bewijs dat u ontvangt van uw toeleverancier.
  • Als u de inboekingen upload in het REV via XML, check dan tijdig of uw gegevens voldoen aan het meest recente XML-schema. Weet u niet of u over het meest recente schema beschikt? Vraag deze dan op bij de Helpdesk NEa.
  • Het toevoegen van een inboekfaciliteit blijkt in de meeste gevallen een aanzienlijke doorlooptijd te hebben, doordat het aanleveren en beoordelen van bewijsstukken tijd vergt. U kunt ervan uitgaan dat aanvragen die volledig zijn ingediend vóór 15 december, nog zullen leiden tot een inboekfaciliteit voor 2021. Voor aanvragen na deze datum, kan de NEa geen garanties geven.

  • Wilt u leveringen met nog niet eerder door u opgevoerde grondstoffen inboeken? Kijk tijdig of de grondstoffen al in het REV voorkomen. Mocht dit niet zo zijn, informeer de NEa hier zo spoedig mogelijk over. Het kan namelijk zijn dat de NEa een uitgebreide beoordeling moet uitvoeren om vast te stellen welke HBE soort aangemaakt wordt bij de inboeking en of er sprake is van dubbeltelling. In dat geval is niet uit te sluiten dat de NEa pas na de inboekdeadline een conclusie kan trekken en inboeken dus niet mogelijk is voor leveringen van 2021.
  • Als u biobrandstoffen inboekt die moeten leiden tot HBE-Geavanceerd en HBE-overig, moet u in de meeste gevallen beschikken over een ‘non-modificatieverklaring’ behorende bij deze leveringen. Lees ook deze webpagina.