Compensatieregeling leveringen aan mobiele machines 2011-2014

Brandstofleveranciers die in de periode 2011-2014 brandstof hebben geleverd aan mobiele machines zijn, na aftrek voor het verbruik van trekkers over de weg, gecompenseerd voor 96,5% van de bijmengverplichting die in deze jaren is voldaan. De compensatie is het gevolg van een uitspraak van de Raad van State over de reikwijdte van de jaarverplichting in deze periode.

Aanleiding

In de periode 2011-2014 hadden brandstofleveranciers de verplichting om een bepaald percentage van de aan wegvoertuigen en mobiele machines uitgeslagen brandstof te vervangen door duurzame biobrandstof. In zijn uitspraak heeft de Raad van State echter bepaald dat de Nederlandse wet- en regelgeving hernieuwbare energie voor vervoer geen bijmengverplichting mocht opleggen voor mobiele machines die niet voor vervoer gebruikt werden. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is gehouden aan de uitspraak van de Raad van State en heeft met de uitvoering van de compensatieregeling in 2019 beoogd eventuele effecten zo klein mogelijk te houden en er voor te zorgen dat deze geen afbreuk doet aan de doelstellingen voor 2020.

Om gevolg te geven aan deze uitspraak heeft de NEa alle brandstofleveranciers die in de periode 2011-2014 brandstof hebben geleverd aan mobiele machines volgens onderstaande vaste berekening gecompenseerd voor de bijmengverplichting die onterecht is voldaan. Dit wil zeggen dat ze gecompenseerd zijn voor alle leveringen aan mobiele machines, behalve voor trekkers voor het deel dat ze op de weg reden. De compensatie heeft plaatsgevonden door middel van een bijschrijving van HBE-Conventioneel (HBE-C) op de betreffende rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV). De keuze om alle bedrijven te compenseren, zorgt voor een gelijk speelveld tussen alle deelnemers en voorkomt verdere juridische procedures voor bedrijven.

Vaststellen hoogte compensatie

In de regeling die de NEa, namens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, heeft uitgevoerd, is uitgegaan van de eerder door de bedrijven aangeleverde gegevens in hun biobrandstofbalansen om daarmee de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. Voor elk bedrijf heeft de NEa een bijgestelde jaarverplichting bepaald, waarbij er alleen een bijmengverplichting geldt voor weg- en spoorvervoer en trekkers op de weg, conform de uitspraak van de Raad van State. Het verschil tussen de oude en bijgestelde jaarverplichting is gecompenseerd.

In 2011 en 2012 rapporteerden bedrijven over belaste rode diesel aan de NEa. Zij konden hierbij gebruik maken van een forfait waardoor het niet nodig was de belaste rode diesel die bestemd was voor mobiele machines te specificeren. In plaats daarvan kon een vast percentage van 65% gebruikt worden. Voor de eerste twee jaar is dit het uitgangspunt voor de berekening van de compensatie. Bedrijven die gebruik hebben gemaakt van het forfait konden ervoor kiezen alsnog de leveringen aan mobiele machines te specificeren en te onderbouwen.

Vanaf 2013 werd het gebruik van belaste rode diesel beëindigd en werden deze leveringen niet meer apart gerapporteerd aan de NEa. De dieselleveringen aan mobiele machines in 2013 en 2014 zijn voor elk bedrijf berekend op basis van het aandeel rode diesel voor mobiele machines in de twee voorgaande jaren en de dieselleveringen in 2013-2014. Bedrijven die alleen in 2013 en 2014 actief zijn geweest, zijn gevraagd om gegevens over de dieselleveringen aan mobiele machines aan te leveren en te onderbouwen.

Het brandstofverbruik van trekkers voor het deel dat ze op de weg reden is vastgesteld op basis van gegevens van het CBS en de Emissieregistratie. Hieruit blijkt dat in de periode 2011-2014 ruim 35% van het dieselgebruik van mobiele machines in de landbouw plaatsvond. Landbouwtrekkers worden voor het overgrote deel op het land gebruikt; voor het gebruik op de weg hanteert de NEa een aandeel van 10%. Dit betekent dat in de berekening voor het gebruik voor trekkers over de weg uitgegaan wordt van 3,5%. Derhalve is in totaal 96,5% van de leveringen aan mobiele machines gecompenseerd.

Proces

Eind december 2018 zijn alle rekeninghouders in het Register Energie voor Vervoer (REV) per mail geïnformeerd over de uitspraak van de Raad van State. Vervolgens zijn tijdens de informatiebijeenkomst voor de jaarafsluiting in januari de uitspraak en de voorziene compensatieregeling uitvoerig besproken. Daarnaast hebben verschillende brancheorganisaties en bedrijven inbreng geleverd voor het vormgeven van de compensatieregeling. Half april heeft de NEa aan de directies van alle bedrijven die voor compensatie in aanmerking komen (of hun rechtsopvolger) een ontwerpbesluit gestuurd met daarin de hoogte van de compensatie en een toelichting op de berekening ervan. De brandstofleveranciers hadden vier weken om een zienswijze in te dienen op het ontwerpbesluit. Daarna is het besluit verzonden en de compensatie bijgeschreven op de desbetreffende rekening in het REV.

De totale bijgeschreven hoeveelheid als gevolg van de compensatieregeling is gepubliceerd in de HBE-rapportage van 4 juli 2019.