Verplichting opvoer brandstofleveringen EV

Bedrijven die in Nederland brandstoffen leveren aan vervoer zijn verplicht de veraccijnsde leveringen vóór 1 maart van het daaropvolgende jaar op te voeren in het Register Energie voor Vervoer (REV). Dit is omwille van het bepalen van de hoogte van hun jaarverplichting en hun reductieverplichting (voor kalenderjaar 2020).

Soorten brandstoffen en vormen van vervoer

De totale hoeveelheid brandstoffen die een bedrijf heeft geleverd aan vervoersbestemmingen met een verplichting in Nederland, wordt de uitslag tot vervoersverbruik (UtV) genoemd.

De verplichting opvoer brandstofleveringen geldt voor onderstaande brandstoffen:

  • Benzine (ongelode lichte olie of minerale olie die volgens het tarief van ongelode lichte olie belast is),
  • Diesel (gasolie of minerale olie die volgens het tarief van gasolie belast is),
  • Vloeibaar gemaakt petroleum gas (LPG, of minerale olie die volgens het tarief van LPG belast,is, zoals vloeibaar gemaakt aardgas (LNG),
  • Gecomprimeerd aardgas (CNG),
  • Andere vloeibare en gasvormige biobrandstoffen.

Aan de volgende vormen van vervoer:

  • Wegvoertuigen,
  • Spoorvoertuigen,
  • Niet voor de weg bestemde mobiele machines,
  • Landbouwtrekkers en bosbouwmachines,
  • Pleziervaart, wanneer niet op zee.

Relatie met opgave aan Belastingdienst

Bedrijven geven de uitslag tot verbruik, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van hun vervoersbrandstoffen op aan de Belastingdienst.

De wet- en regelgeving voor Energie voor Vervoer gaat er van uit dat de hoeveelheden benzine en diesel van de accijnsaangifte zijn geleverd aan een vervoersbestemming met een verplichting in Nederland. Als dat niet het geval is, zal een bedrijf moeten onderbouwen dat (een deel van) de levering niet zo’n vervoersbestemming had; dit gebeurt met ten minste een factuur en een betaalbewijs.

Voor LPG, LNG en CNG, de “betere” fossiele brandstoffen, gaat de wet- en regelgeving voor Energie voor Vervoer er van uit dat de hoeveelheden van de accijnsaangifte níet zijn geleverd aan een vervoersbestemming met een verplichting in Nederland. Als een bedrijf de “betere” fossiele brandstoffen toch wil opvoeren, dan moet zij kunnen onderbouwen dat (een deel van) de levering wel zo’n vervoersbestemming hadden; ook dit gebeurt met ten minste een factuur en een betaalbewijs.

Relatie met jaar- en reductieverplichting

De totale hoeveelheid benzine en diesel (inclusief hun biocomponenten) die een bedrijf heeft geleverd aan vervoersbestemmingen waarvoor in Nederland een verplichting geldt, wordt de levering tot eindverbruik genoemd. Deze hoeveelheid is de basis voor het bepalen van de hoogte van de jaarverplichting en de reductieverplichting (voor het kalenderjaar 2020).

Zie ook: Jaarverplichting EV en Reductieverplichting EV (2020)

Geen verplichting tot opvoer veraccijnsde brandstofleveringen

Bedrijven die minder dan 500.000 liter, kilogram en/of normaal kubieke meter (Nm3) brandstoffen geleverd hebben aan vervoersbestemmingen waarvoor in Nederland een verplichting geldt, hebben geen verplichting om ze op te voeren in het REV.

Ook bedrijven die alleen “betere” fossiele brandstoffen (LPG, LNG of CNG) leveren, hebben geen verplichting om deze op te voeren. Er wordt immers verondersteld dat deze níet zijn geleverd aan een vervoersbestemming met een verplichting in Nederland.

Vanaf 2018 vervalt daarnaast de verplichting om leveringen van rode diesel aan de binnenvaart op te voeren.