Ga direct naar inhoud Naar de homepage van Nederlandse Emissieautoriteit
Logo Nederlandse Emissieautoriteit
  1. Home
  2. Regelgeving
  3. CO2-heffing

Vraag en antwoord

Ja, Het tarief tot en met 2030 is vastgelegd in de belastingwetgeving.

  • Voor afvalverbrandingsinstallaties: van 103,66 euro (2026) tot 303,55 euro (2030).
  • Voor ETS-installaties en lachgasinstallaties: per 2026 tot en met 2030 vastgezet  op 78,67 euro.

De tarieven worden jaarlijks gecorrigeerd voor inflatie. Het tarief voor de heffing wordt voor ETS-installaties verminderd met de voor dat jaar vastgestelde prijs van een emissierecht (EUA). Voor ETS-installaties kan het tarief daardoor fluctueren.

Meer informatie over de tarieven vindt u hier.

De heffing borgt dat er een minimum bedrag wordt betaald voor het uitstoten van een ton CO2. In 2025 is dat bedrag 87,90 euro. Als de vastgestelde prijs van een emissierecht (EUA) in een jaar hoger ligt dan het tarief voor de heffing van dat jaar, bedraagt de heffing 0 euro voor ETS-bedrijven. Dat kan een jaar later weer anders zijn.


Afvalverbrandingsinstallaties leveren geen emissierechten in onder het EU ETS en lachgasinstallatie vallen helemaal niet onder het EU ETS. Voor die installaties wordt de EUA-prijs dus niet in mindering gebracht op het jaarlijkse tarief.

Industriële installaties die een verplichting hebben onder het EU ETS vallen ook onder de CO2-heffing industrie, tenzij ze zijn uitgezonderd. Een lijst met gronden waarop een installatie onder het EU ETS valt is hier te vinden. Daarnaast vallen ook afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties onder de CO2-heffing industrie.

Een installatie in het EU ETS valt niet onder de CO2-heffing als zij direct of indirect uitsluitend geëxploiteerd wordt voor elektriciteitsopwekking en/of warmteopwekking voor stadsverwarming, gebouwverwarming of glastuinbouw. Een combinatie van deze gronden is mogelijk. U kunt de uitzonderingsgronden vinden in artikel 71i van de wet.

Emissies voor gebouwverwarming bij een industriële installatie zijn niet uitgezonderd voor de heffing. Gebouwverwarming is niet hetzelfde als stadsverwarming. Stadsverwarming is gedefinieerd in de Free Allocation Rules (FAR) en betreft kortweg de distributie van meetbare warmte voor het verwarmen of koelen van ruimten van gebouwen en locaties die niet onder EU ETS vallen. Deze warmte valt niet onder de warmtebenchmark subinstallatie maar onder de stadsverwarmings subinstallatie. De emissies van stadsverwarming tellen niet mee voor de CO2-heffing als er meer dan 75% van de geproduceerde warmte wordt ingezet voor stadsverwarming. In de overige gevallen is geen sprake van aftrek.

Ook de emissie van warmte die wordt geëxporteerd naar non-ETS valt onder de heffing. Wel gelden specifieke regels voor de export voor stadsverwarming. Zie daarvoor het antwoord op de vorige vraag.

De CO2-heffing wordt alleen geheven over de emissies in de periode dat de installatie ook onder het ETS valt. Dat betekent dat alleen de industriële jaarvracht over die periode wordt gerapporteerd maar er ook alleen dispensatierechten kunnen worden verkregen voor dezelfde periode.

De NEa stort de berekende dispensatierechten uiterlijk op 30 april na afloop van het belastingjaar op de rekening van de installatie in het register.

Het aantal dispensatierechten dat u over een jaar krijgt is afhankelijk van de productie en (historische) activiteitsgegevens in een bepaald jaar. Als u voor uw bedrijf kunt inschatten wat de productie over een bepaald jaar wordt, kunt u met de benchmarks en de reductiefactor een berekening maken van het aantal te verkrijgen dispensatierechten. De indeling in benchmarks (subinstallaties) is daarbij gelijk aan de indeling die is opgenomen in het datarapport en het monitoringmethodiekplan voor de toewijzing van gratis emissierechten.

De hoeveelheid DPR’s wordt steeds berekend voor één belastingjaar.

Een biomassacentrale die ook fossiele emissies heeft en niet is uitgezonderd, valt onder de CO2-heffing. Als zo’n biomassacentrale warmte opwekt en voldoet aan de voorwaarden om DPR’s te krijgen voor deze warmte, dan is het mogelijk dat de installatie meer dispensatierechten gestort krijg dan zij nodig heeft. Een biomassacentrale waarvan de emissies voor meer dan 95% uit duurzame biomassa bestaan, valt overigens niet onder het ETS en daardoor ook niet onder de CO2-heffing.

Nee. Net als in het ETS worden de terugvalopties alleen ingezet als het niet mogelijk is om de productbenchmarks toe te passen. De benchmarks die van toepassing zijn, zijn gelijk aan de benchmarks die zijn opgenomen in het datarapport en het monitoringsmethodiekplan voor de toewijzing.

Ook hier wordt aangesloten op de regels voor het toewijzen van gratis emissierechten in het EU ETS. Meer informatie vindt u hier. 

Net als voor bestaande ETS-installaties wordt voor activiteiten die vallen onder en productbenchmark voor elk belastingjaar het activiteitsniveau van dat jaar gebruikt om het aantal DPR’s te berekenen. Voor productbenchmarks waar uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit relevant is, wordt de uitwisselbaarheidsfactor van het eerste volledige kalenderjaar na aanvang van de reguliere productie bevroren en toegepast als correctiefactor in de jaren die daarop volgen. Voor de terugvalopties is een historisch activiteitsniveau nodig. Dat wordt bepaald op basis van het eerste hele jaar dat de installatie in bedrijf is.

Alleen installaties met een verplichting onder de CO2-heffing krijgen een rekening in het register waarop DPR’s gestort worden. DPR’s kunnen alleen overgeboekt worden naar andere rekeningen in het register. Installaties of bedrijven die niet onder de CO2-heffing vallen kunnen dus geen DPR’s kopen of verkopen.

Vanaf 2026 gelden er aparte CO2-heffingstarieven voor afvalverbrandinginstallaties en ETS-installaties of lachgasinstallaties. Hierdoor kunnen deze twee groepen niet langer aan elkaar dispensatierechten overdragen. Afvalverbrandingsinstallaties kunnen dus alleen dispensatierechten overdragen aan/ontvangen van andere afvalverbrandingsinstallaties. Ditzelfde geldt voor ETS-installaties of lachgasinstallaties.

Nee. Een installatie mag enkel een overschot aan dispensatierechten overdragen. Voorbeeld: een installatie stoot 10.000 ton CO2 uit en heeft 12.000 dispensatierechten gestort gekregen. De installatie mag dan 2.000 dispensatierechten overdragen.

Als een installatie 10.000 ton CO2 uitstoot maar slechts 8.000 dispensatierechten heeft mag zij geen dispensatierechten overdragen. Het staat installaties wel altijd vrij om dispensatierechten te verkrijgen, maar dat is geen plicht. De installatie met 10.000 ton uitstoot en 8.000 dispensatierechten is dus niet verplicht om 2.000 dispensatierechten te verkrijgen om zo de uitstoot te compenseren, de installatie kan er ook voor kiezen om over de resterende 2.000 ton CO2, heffing te betalen.

Ja. Voorbeeld: Een installatie betaalt in 2025 over 5.000 ton CO2-heffing. Als de installatie in 2026 genoeg dispensatierechten heeft verkregen of aangekocht om de uitstoot van 2026 te compenseren kan zij er ook voor kiezen om 5.000 extra dispensatierechten aan te kopen. Deze 5000 extra dispensatierechten worden dan verrekend met eerder betaalde heffing in 2025. De betaalde belasting uit dat jaar wordt na de verrekening teruggestort.

De NEa publiceert elk jaar het totale aantal gestorte dispensatierechten en de totale industriële uitstoot.

Dit is een beleidskeuze geweest die ervoor moet zorgen dat er geen grote tekorten aan dispensatierechten kunnen ontstaan, waardoor veel CO2-heffing verschuldigd zou zijn

Ieder jaar is er een periode waarin dispensatierechten kunnen worden overgedragen tussen installaties. Deze periode loopt van 1 mei tot en met 31 augustus. Als er op 1 september meer dispensatierechten op de rekening van een installatie staan dan er nodig zijn om de emissies te compenseren wordt er automatisch gekeken of verrekening mogelijk is. Als verrekening met eerdere tekorten mogelijk is, wordt dit ook automatisch gedaan.

Als het overschot voor 31 augustus is overgedragen dan kan en zal er dus niet worden verrekend.

Dispensatierechten kunnen alleen gebruikt worden voor het belastingjaar waarvoor ze gestort zijn. Na de overdrachtsperiode zijn overdraagbare dispensatierechten niet meer bruikbaar en u kunt deze ook niet meenemen naar een later jaar.

Om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden sluit de CO2-heffing zoveel mogelijk aan bij bestaande verplichtingen binnen het EU ETS. In de wetgeving is er daarom voor gekozen om 31 maart als uiterste aanleverdatum van de verslagen aan te merken. Het staat installaties daarnaast vrij om de verslagen al vóór 31 maart aan te leveren bij de NEa.

Het industrieel emissieverslag en het verslag dispensatierechten zijn gecombineerd in het format CO2-heffingsverslag. 

Het format is per categorie hier te vinden.

Het CO2-heffingsregister (CHeR) vindt u hier. Het is uitsluitend beschikbaar middels een eHerkenning inlogmiddel op betrouwbaarheidsniveau EH3 of hoger.

Hoort bij

  • CO2-heffing

Service

  • Contact
  • RSS
  • Sitemap
  • Help
  • Vacatures
  • Archief

Over deze site

  • Copyright
  • Privacy
  • Cookies
  • Toegankelijkheid
  • Kwetsbaarheid melden

Deze website in andere talen:

  • Nederlands
  • English