De inboeker is verplicht aan te tonen dat de biobrandstoffen die hij inboekt daadwerkelijk fysiek biogeen zijn. Hier leest u hoe dit gedaan kan worden met behulp van de C14-methode. Hiermee kan de fysieke hoeveelheid biobrandstof van een brandstoflevering aangetoond worden door middel van monstername en analyse. De regels voor het toepassen van de C14-analyses vormen het C14-kader.

Voorliggend kader is gepubliceerd in juni 2026 en bevat een beperkt aantal inhoudelijke aanpassingen n.a.v. de geactualiseerde wet- en regelgeving en enkele redactionele verbeteringen.

Voor welke biobrandstoffen?

Dit kader is van toepassing op alle biobrandstoffen die alleen met behulp van een C14-analyse als biogeen te onderscheiden zijn van hun fossiele evenknie. Dit zijn alle biobrandstoffen behalve methylvetzuren (FAME), bioethanol en ETBE. Voor bioLNG en bioLPG geldt dat de biogeniteit bij inboeking bewezen kan worden met een biomassaverklaring en is de C14-analyse en het C14-kader dus ook niet van toepassing (zie bio-verificatie). De C14-analyse is niet van toepassing voor FAME, bioethanol en ETBE, omdat voor deze brandstoffen andere gangbare analyses van toepassing zijn om het biogene gehalte te bepalen.

Voorbeelden (niet uitputtend) van brandstoffen waarop dit kader wel van toepassing is zijn:

  • Hydrotreated vegetable oil (HVO)
  • Hydroprocessed Esters and Fatty Acids / Sustainable aviation fuel (HEFA/SAF)
  • Bionafta
  • Biomethanol
  • Bio-MTBE
  • Geraffineerde olie
  • Co-processed brandstoffen

Waarom dit kader?

Dit kader biedt inboekers handvatten om levering van biobrandstoffen te kunnen aantonen met C14-analyse. Het aantonen van biobrandstof is een voorwaarde voor inboeken. Te allen tijde zal de NEa de inboeker aanspreken en zo nodig handhaven op situaties waarin brandstof is ingeboekt die niet biogeen blijkt te zijn. NEa ziet dit kader als een tijdelijke oplossing. Dit kader kan in de toekomst aangepast worden als nieuwe normen door de industrie ontwikkeld worden.

Indien C14 wordt toegepast in het kader van co-processing in een raffinaderij verwijzen wij naar de relevante Gedelegeerde Handeling1. De Gedelegeerde Handeling richt zich op de producent terwijl dit kader zich richt op de inboeker.

[1. Gedelegeerde Handeling (2023/1640) betreffende de methode voor het bepalen van het aandeel biobrandstoffen en biogas voor vervoer, geproduceerd uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt]

Uitgangspunten C14-kader

1.De inboeker is verantwoordelijk voor de juistheid van de hoeveelheid ingeboekte biobrandstoffen.
2.De NEa heeft de bevoegdheid om monsters te nemen en die te testen.
3.

Het C14-kader dient ter onderbouwing van de ingeboekte hoeveelheid biobrandstof. De NEa accepteert een verschil tussen de testuitslag en het te verwachten blendpercentage (een controletolerantie), om rekening te houden met inherent te verwachten afwijkingen.
De controletolerantie is 1 procentpunt voor te verwachten blendpercentages lager dan 25% Voor te verwachten blendpercentages van 25% en hoger is de controletolerantie 3 procentpunt. Er is een verschil in controletoleranties om rekening te houden met het relatieve effect van de afwijking.

Als de testuitkomst buiten de controletoleranties van de verwachte waarde valt én deze uitkomst is lager dan wat op basis van de blendpercentages werd verwacht, dan kan slechts het volume worden ingeboekt wat de C14-test uitwijst.
4.In de leveringsketen moet een test hebben plaatsgevonden op basis waarvan vastgesteld kan worden of er sprake is van biogeen materiaal  (zie ook punt 8).

Indien in de brandstof ook FAME of ethanol/ETBE is bijgemengd dient er daarnaast ook een test plaats te vinden om vast te stellen of en hoeveel FAME of ethanol/ETBE in de brandstof aanwezig is, om deze te onderscheiden van andere biogene brandstoffen. Het FAME of ethanol/ETBE-volumegehalte dient te worden vastgesteld met respectievelijk een EN14078 of gaschromatografie analyse.
5.

De monstername gebeurt volgens EN ISO 3170 of EN ISO 3171 en door een instelling die door een nationaal accreditatie-instituut als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 voor die norm is geaccrediteerd. Voorwaarde voor het uitvoeren van de C14-analyse is accreditatie onder ISO/IEC17025 door de RvA of een ander nationaal accreditatie-instituut zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008.

Een eigen laboratorium is ook onder die voorwaarde toegestaan. De partij die de test aanbiedt dient bij de surveyer en het laboratorium na te gaan of de scope van accreditatie het te analyseren biogene product en het te testen blendpercentage biogeen omvat.

6.

Testen vindt plaats op basis van AMS (EN 16640 of ASTM D6866) of LSC (EN 16640 of DIN 51637)* mits het laboratorium hiervoor geaccrediteerd is. Voor testen op basis LSC moet de kleur van de te testen brandstof kleiner of gelijk zijn aan ASTM 1.5.
De accreditatiescope definieert het blendpercentage biogeen en het product en is bepalend of een laboratorium producten en blendpercentages op basis van de LSC-methodiek mag aanbieden.
Let wel: bij een gekleurd monster is de kans groot dat directe meting resulteert in lagere waarden. Meting na voorbewerking geeft meer accurate uitkomsten..

7.De NEa communiceert over andere betrouwbare testmethodieken zodra de NEa deze methodieken als betrouwbaar heeft vastgesteld.
8.

Het is aan de inboeker om een keuze te maken om:

a. Gebruik te maken van een test van zijn toeleverancier, mits kan worden vastgesteld dat de ingeboekte biobrandstof betrekking heeft op de geteste biobrandstof.

b. Een test uit te voeren bij ontvangst van de biobrandstof, mits vastgesteld kan worden dat de ingeboekte biobrandstof betrekking heeft op de geteste biobrandstof.

c. Een test uit te voeren bij levering aan vervoer in Nederland (einde keten).

9.

Als onder 8.a gebruik wordt gemaakt van een analyse eerder in de keten:

a. Is dat alleen toegestaan als deze analyse één schakel eerder in de leveringsketen is uitgevoerd (dus één schakel voor de locatie vanaf waar de inboeker levert).

b. Voldoet ook een vormvrije verklaring van de toeleverancier aan de inboeker waaruit blijkt:

i. dat er een bepaald volume biobrandstof is geleverd en dat het testresultaat (conform punt 6) op deze brandstof aantoont dat het om een biobrandstof gaat, inclusief uitkomsten van het lab over het biogene-gehalte en het volume biobrandstof.
ii. 
hoeveel brandstof waar deze biobrandstof onderdeel van uitmaakt door de leverancier geleverd is aan de inboeker.

De test bij de leverancier dient betrekking te hebben op de brandstof waaruit geleverd wordt dan wel op de levering aan de inboeker.

c. Moet te allen tijde duidelijk zijn uit informatie van een surveyer en de administratie van de inboeker dat de ingeboekte biobrandstof betrekking heeft op de geleverde en geteste brandstof.

De administratie van de inboeker bestaat uit een overpomp- en opslagboekhouding, die een herleiding mogelijk maakt van de geleverde hoeveelheid biobrandstof door de inboeker aan de Nederlandse markt, tot de hoeveelheid biobrandstof die hij van zijn toeleverancier ontvangen heeft.
10.

Als een veronderstelde biobrandstof volgens de test niet of niet volledig biogeen blijkt te zijn dient de NEa hiervan op de hoogte gebracht te worden via het NEa contactformulier

Voor laboratoria

Onder verwijzing naar RvA-T001-NL paragraaf 2.3.3. schrijft de NEa de standaarden ASTM D4057, ISO EN 3170 en EN ISO 3171 voor de monstername, EN 16640 Annex B, DIN 51637 voor de bepaling van C14 en ASTM D 5291 t.b.v. de bepaling van het Carbon Content aan de laboratoria voor om te gebruiken in een bepaald toepassingsgebied.

Het toepassingsgebied dient naast 'Liquid petroleum products' ook te omvatten 'Liquid fuels and blending products'. Het toepassingsgebied omvat daarmee producten zoals (bio)methanol, (bio)MTBE en brandstoffen van nieuwe natuurlijke origine zoals gebruikt in de maritieme sector ‘de maritieme biobrandstoffen’.

Vragen en antwoorden

Vragen en antwoorden over de impact van de C14-metode op inboeken:

Vragen en antwoorden over labs voor C14-testen (uitgangspunt 5): 

Vragen en antwoorden over de analysemethode (uitgangspunt 6): 

Vragen en antwoorden over eerder testen in de keten (uitgangspunten 8 en 9):