Op 6 mei 2026 ontving het Bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEa) het verzoek om een toets uit te voeren op de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van het besluit jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie (hierna: het besluit).
Conclusie
De NEa vindt het belangrijk dat de doelstelling uit artikel 22 bis van de Richtlijn wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Artikel 22 bis van de Richtlijn stimuleert immers de inzet van RFNBO’s in de industrie waarmee een bijdrage aan de energietransitie en het tegengaan van klimaatverandering geleverd wordt.
De NEa benadrukt dat de opzet van de verplichting complex is door de flexibiliteitsmechanismen in combinatie met de vele uitzonderingen op de jaarverplichting. De NEa heeft voldoende middelen nodig hebben om het HWI-register hierop in te richten, om de systematiek uitlegbaar te maken via compliance assistance aan de doelgroep, en om toezicht op de uitzonderingen te kunnen houden. Daarbij wil de NEa ook aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: het ministerie) meegeven dat de doelmatigheid van het systeem de eerste jaren beperkt is vanwege de lage jaarverplichting in combinatie met de verschillende flexibiliteitsmechanismen. In deze brief vraagt de NEa vooral expliciet aandacht voor de zorgen over de uitgezonderde categorieën waterstof. De uitzonderingen en de berekeningswijzen zijn complex en het is moeilijk te doorgronden hoe de uitzonderingen zich tot elkaar verhouden. De NEa kan de toezicht- en handhavingsrisico’s van de uitzonderingen en de berekeningswijzen op dit moment niet goed beoordelen.
Daarom doet de NEa de volgende aanbevelingen aan het ministerie. 1. Het ministerie en de NEa evalueren na het eerste jaar hoe het is verlopen met de uitgezonderde categorieën waterstof en of aanpassingen aan regelgeving nodig zijn. 2. Het ministerie is bereid om — wanneer de ervaringen in uitvoering en toezicht — daar aanleiding voor geven — wijzigingen door te voeren in de wet- en regelgeving en maakt daar capaciteit voor vrij. Tot slot vindt de NEa het goed dat er gekozen is voor een combinatie van privaat en publiek toezicht, omdat dit het vertrouwen in het systeem versterkt. De NEa zie echter ook beperkingen bij toezicht op de conformiteitsbeoordelingsinstanties (hierna: CBI’s).
We geven de beperkingen verderop in deze brief mee om te schetsen wat het ministerie kan verwachten van de NEa bij de uitvoering van dit toezicht. Daarnaast wil de NEa vragen dat het ministerie zich inzet in Europa op verbetering van de Europese wetgeving over hieronder genoemde punten.
Al met al concludeert de NEa dat het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar is, maar dat voornamelijk op het gebied van fraudebestendigheid verbetering mogelijk is. De NEa adviseert de bevindingen van deze uitvoeringstoets door te voeren om op de genoemde punten de uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid te verbeteren.