De CO2-heffing is een belastingmaatregel uit het klimaatakkoord uitgevoerd door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Het doel is industriële bedrijven financieel te stimuleren hun CO₂-uitstoot, te reduceren waardoor de belastingdruk afneemt naarmate emissies dalen. De Wet CO2-heffing industrie is op 1 januari 2021 in werking getreden.

Aanleiding CO2-heffing

In 2019 sloot de Rijksoverheid het Klimaatakkoord met veel organisaties en bedrijven in Nederland. Hierin is afgesproken dat de jaarlijkse CO₂-uitstoot in 2030 met 49% moet zijn verminderd ten opzichte van 1990. Om deze doelstelling voor de industrie te realiseren, heeft de overheid de CO₂-heffing ingevoerd als onderdeel van een pakket aan maatregelen dat bedrijven aanmoedigt te verduurzamen.

Hoe werkt de CO2-heffing industrie?

De CO₂-heffing is een belastingmaatregel die industriële installaties met een hoge CO₂-uitstoot moeten betalen. De Rijksoverheid stelt jaarlijks het tarief vast. In 2025 bedraagt dit € 87,90 per ton CO₂-uitstoot. Vanaf 2026 is het tarief voor ETS- en lachgasinstallaties verlaagd en blijft dit constant. Voor afvalverbrandingsinstallaties stijgt het tarief jaarlijks tot en met 2030. 

Meer informatie hierover vindt u op de pagina Tarieven CO2-heffing.

Welke installaties betalen de CO2-heffing industrie?

Er zijn 3 soorten installaties die de CO2-heffing industrie betalen. Een installatie is een technische eenheid waarin een productieproces plaatsvindt. Dit zijn de volgende 3:

  1. Industriële installaties die deelnemen aan het Europese Emissiehandelsysteem (EU ETS)
  2. Afvalverbrandingsinstallaties (AVI's);
  3. Industriële installaties met processen waarbij lachgas (N2O) vrijkomt.

De installaties onder 3 nemen niet deel  aan het EU ETS. De installaties onder 2 doen wel mee aan het EU ETS, maar hoeven onder die wetgeving geen emissierechten in te leveren.

Bedrijven kunnen met onderstaand stroomschema bepalen of hun installatie onder de CO2-heffing valt.

(1) Installaties die deelnemen aan het EU ETS

Installaties die deelnemen aan het EU ETS betalen niet het volledige bedrag van de CO2-heffing. Dit is verreweg de grootste groep installaties onder de CO2-heffing. Zij betalen onder het EU ETS al een prijs per ton CO₂-uitstoot via emissierechten. Bedrijven die meedoen aan het EU ETS mogen het totaalbedrag van de ingeleverde emissierechten aftrekken van het geldbedrag dat ze moeten betalen voor de CO2-heffing. Daarbij geldt een vooraf vastgesteld prijs per emissierecht ongeacht de werkelijke verkrijgingsprijs (Zie ook de pagina over de Tarieven).

Voor 2025 is het geldbedrag van een emissierecht vastgesteld op € 66,76 en het geldbedrag voor de CO2-heffing op € 87,90. Bedrijven die meedoen aan het EU ETS betalen over het jaar 2025 dus een geldbedrag van € 21,14 (€ 87,90 minus € 66,76 ) per ton CO2 uitstoot waarover de heffing geldt.

Kijk voor de jaarlijkse vastgestelde geldbedragen voor een emissierecht en voor de CO2-heffing industrie bij Tarieven.

(2+3) Afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties

Afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties moeten wel de CO2-heffing betalen maar doen niet (volledig) mee aan het EU ETS. Deze installaties betalen het volledige geldbedrag voor de CO2-heffing.

Grondslag van de CO2-heffing

De grondslag van de CO2-heffing zijn de belaste emissies. Dit is het aantal ton CO2-uitstoot waarover uiteindelijk het geldbedrag van de CO2-heffing moet worden betaald.

Om dit te berekenen neemt u de industriële jaarvracht over het belastingjaar min het aantal dispensatierechten dat in het opvolgende jaar op 1 september op de rekening van de installatie staat. Oftewel de industriële jaarvracht verminderd met de vrijgestelde uitstoot (de verkregen dispensatierechten) en daarbij opgeteld dan wel afgetrokken de overdracht van dispensatierechten.