In 2026 is het systeem Hernieuwbare energie vervoer veranderd vanwege de implementatie van RED3 Vervoer. Op deze webpagina's leest u een overzicht van de belangrijkste wijzingen ten opzichte van de eerdere "HBE-systematiek".
Overzicht belangrijkste systeemwijzigingen
De systematiek stuurt vanaf 2026 op CO2-emissiereductie in de keten (de emissies vanaf productie van de brandstof tot en met verbranding bij eindgebruik), in plaats van op energie-inhoud van geleverde (hernieuwbare) energie. Met deze systeemwijziging is ook de naam van de verplichting die de brandstofleveranciers hebben gewijzgd van jaarveprlichting naar brandstoftransitieverplichting. De hernieuwbare brandstofeenheden (HBE) zijn daarbij vervangen door emissiereductie-eenheden (ERE).
Net als HBE's zijn ook ERE's verhandelbare eenheden. En daarmee is ook het systeem van de brandstoftransitieverplichting net als zijn voorganger dus een handelssystematiek. Dit betekent dat bedrijven bij het voldoen aan hun verplichtingen voldoende verhandelbare eenheden (ERE's) op rekening moeten hebben, waar ze ervoor kunnen kiezen om:
- Zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken bij de NEa en zodoende ERE's te creëren;
- ERE's te kopen van andere bedrijven;
- Een combinatie van beide opties toe te passen.
Voor bedrijven die ervoor kiezen om zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken, is het van belang dat zij rekening houden met het feit dat ERE’s gecreëerd worden op basis van emissiereductie, en niet op basis van fysiek geleverde hoeveelheden. Een bepaald volume geleverde hernieuwbare energie levert namelijk niet altijd een vast aantal ERE’s op. De emissiewaarde op het bewijs van duurzaamheid van de geleverde biobrandstof bepaalt namelijk hoeveel ERE’s er worden bijgeschreven. Inboekers moeten zelf goede afspraken maken met hun toeleverancier(s) van hernieuwbare energie over de (minimale) CO2-reductie die zij verlangen.
De verplichting voor brandstofleveranciers is vanaf 2026 uitgebreid naar leveringen van brandstoffen aan meerdere vervoerssectoren. Dit betekent dat de verplichting voor brandstofleveranciers van toepassing is op bedrijven die brandstof leveren aan de sectoren:
• land (wegvoertuigen, spoorvoertuigen, mobiele machines en vaste installaties);
• binnenvaart (binnenschepen);
• zeevaart (zeeschepen).
De HBE systematiek kende alleen een jaarverplichting voor de sector land. Er konden echter wel HBE's gecreeerd worden in de sectoren zee-, binnen-, en luchtvaart. De HBE's uit deze sectoren konden vervolgens worden ingezet voor de jaarverplichting van de sector land. De HBE’s die zijn ingezet voor de jaarverplichting sector land staan dus niet per se voor een geleverde prestatie binnen deze sector.
In de ERE systematiek werkt dit anders. De verkregen emissiereductie-eenheden (ERE’s) uit leveringen van hernieuwbare energie in een specifieke sector moeten in beginsel ingezet worden voor de verplichting in diezelfde sector. ERE’s uit andere sectoren zijn slechts beperkt inzetbaar. Het verschilt per sector wat hier de mogelijkheden voor zijn.
Net als in het HBE-systeem kent ook de ERE-systematiek een onderverdeling van de jaarlijkse totale verplichting naar subdoelen en limieten. Deze subdoelen en limieten zijn erop gericht om het gebruik van bepaalde grondstoffen voor biobrandstoffen of bepaalde vormen van hernieuwbare energie te bevorderen of juist te ontmoedigen.
Om te voldoen aan de Europese minimuminzet voor RFNBO’s (hernieuwbare brandstoffen van niet biologische oorsprong) kent de ERE-systemeatiek ook een subdoelstelling voor deze hernieuwbare waterstof-gebaseerde brandstoffen. Hiervoor komt naast de ERE's geavanceerd, conventioneel, IXb en overig ook een "ERE-RFNBO" (ERE-R).
De hoogte van de totale verplichting, de limieten en de subdoelen variëren per sector. De totale verplichting neemt ieder jaar toe.
Voor alle sectoren geldt dat de brandstofleveranciers met een brandstoftransitieverplichting hun leveringen aan de verschillende sectoren moeten registreren in het NEa register. Op basis van deze registratie wordt de hoogte van de verplichting vastgesteld. Deze registratie bij de NEa moet elk jaar vóór 1 maart gebeuren.
Dit was ook al in het HBE-systeem verplicht. Wat er anders is in de ERE-systematiek, is dat de geregistreerde leveringen aan de sector binnenvaart en zeevaart geverifieerd moeten worden door een onafhankelijke verificateur. Deze verificatie heeft als doel om de NEa meer zekerheid te verschaffen over de juistheid en volledigheid van de geregistreerde leveringen aan zee- en binnenschepen. De noodzaak voor deze verificatie is het nog ontbreken van betrouwbare (contra-)informatie van derde partijen over geleverde brandstofhoeveelheden aan de binnenvaart en zeevaart. Bij de sector land is deze contra-informatie er wel, namelijk in de vorm van accijnsaangiften bij de Belastingdienst/Douane.
De verificaties van de brandstofregistraties zee- en binnenvaart moeten worden uitgevoerd door een geaccrediteerde verificateur. De verificatie vindt plaats op kosten van de verplichtinghouder. De verplichtinghouder moet zelf een verificateur benaderen en contracteren. De resultaten van deze verificatie moeten vóór 1 mei door de verificateur in het REV zijn geregistreerd.
De data en de vereiste handelingen die onderdeel zijn van het proces om aan de verplichtingen te voldoen zijn vanaf 2026 iets anders:
- de datum voor het voldoen aan de verplichting schuift een maand naar voren: van 1 mei naar 1 april
- de deadline voor verificaties van de opgevoerde brandstofleveringen aan de sectoren zee- en binnenvaart is 1 mei. Deze deadline geldt ook voor de andere verificaties en verandert niet ten opzichte van de HBE-systematiek.
Nieuw subdoel RFNBO's
De brandstoftransitieverplichting kent een subdoelstelling voor de inzet van op hernieuwbare waterstof gebaseerde brandstoffen. Deze is bedoeld om te voldoen aan de Europese minimum inzet voor RFNBO’s (hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong) in vervoer.
Om deze reden is er naast de bestaande eenheden als geavanceerd, conventioneel, IXb en overig ook een eenheid beschikbaar speciaal voor de inzet van RFNBO's: ERE-R.Bedrijven met een verplichting moeten jaarlijks voldoende ERE-R op rekening hebben staan om te kunnen voldoen aan de subdoelstelling. ERE-R ontstaan door het inboeken van leveringen hernieuwbare waterstof en/of leveringen van vloeibare RFNBO's aan vervoer. Voor de RFNBO subdoelstelling mogen géén ERE's worden ingezet die zijn ontstaan door leveringen in een andere sector. Dat geldt voor de subdoelstelling van alle sectoren.
Naast ERE-R mogen ook zogenaamde Raffinage-reductie-eenheden (RARE's) worden ingezet om aan de subdoelstelling te voldoen. RARE's onstaan door de inzet van hernieuwbare waterstof in rafinaderijen. RARE's kunnen enkel gebruikt worden om aan de subdoelstelling te voldoen. Het is niet mogelijk om meer RARE's in te zetten dan nodig voor de subdoelstelling. Voor ERE-R geldt deze beperking niet: deze kunnen ook gebruikt worden voor het de totale doelstelling.
De RFNBO subdoelstelling neemt elk jaar toe. De hoogte ervan verschilt per sector evenals de mate waarin RARE's ingezet mogen worden om aan de sectorspecifieke subdoelstelling te voldoen. Onderstaande tabel geeft dat weer.
|
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
opmerking | |
|
sector land
|
0,05%
|
0,1%
|
0,46%
|
0,96%
|
1,45%
|
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk.
|
|
sector binnenvaart |
0,02% |
0,04% |
0,09% |
0,17% |
0,34% |
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk. Volledige inzet van RARE's mogelijk voor subdoelstelling. |
|
sector zeevaart |
- |
0,02% |
0,08% |
0,16% |
0,32% |
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk. Volledige inzet van RARE's mogelijk voor subdoelstelling. |
Belangrijkste wijzigingen vloeibare biobrandstoffen
In het HBE-systeem konden biobrandstoffen geleverd aan de binnenvaart, zeevaart en luchtvaart HBE's opleveren zonder dat er een (jaar)verplichting tegenover deze leveringen stond.
Dat is vanaf 2026 veranderd:
- Vanwege de verbreding van de brandstoftransitieverplichting naar de zee- en binnenvaart, moeten er voor biobrandstofleveringen aan deze sectoren ook ERE's worden ingeleverd.
- De sector luchtvaart maakt in zijn geheel geen onderdeel meer uit van de systematiek.
Dubbeltelling
Omdat het ERE-systeem stuurt op emissies, is de dubbeltelling op energie-inhoud bij bepaalde soorten biobrandstof verdwenen. Verificaties op de productielocaties van biobrandstoffen zijn daarom niet meer nodig, ook niet om bijvoorbeeld de 'geavanceerdheid' van de biobrandstoffen aan te tonen. De enige uitzondering is de 'verificatie-biomassa' voor bio-LNG en bio-LPG.
Multiplier zeevaart
Omdat elke sector vanaf 2026 zijn eigen verplichting heeft, is een multiplier voor zeevaartleveringen niet nodig.
Vermenigvuldiger voor biobrandstoffen uit dierlijk vet categorie 3
Alhoewel er in de ERE-systematiek niet meer gewerkt wordt met dubbeltelling of sectorspecifieke rekenfactoren, geldt er wel een rekenfactor voor biobrandstoffen die vervaardigd zijn van dierlijk vet categorie 3. Deze factor bedraagt 0,5 waardoor de ‘ERE-opbrengst’ gehalveerd wordt.
Zeevaart
In de HBE-systematiek kwamen voor de zeevaart alleen biobrandstofleveringen van het type geavanceerd (HBE-G) in aanmerking om ingeboekt te worden. In de ERE-systematiek mogen ook biobrandstoffen die de ERE-soort 'overig' (ERE-O) opleveren ingeboekt worden. Dit betreft leveringen van biobrandstoffen gemaakt van bepaalde soorten afval die niet genoemd zijn in bijlage IX van de RED.
Binnenvaart
Vanaf 2026 is het niet meer mogelijk om leveringen van conventionele biobrandstoffen (ERE-C) aan de binnenvaart in te boeken.
Voor het inboeken van geleverde fysieke bio-LNG of bio-LPG gelden de inboekeisen van vloeibare biobrandstoffen. Eén van de inboekeisen is, dat de inboeker de massabalans als trader with storage over de laatste opslaglocatie moet voeren. Vanaf 2026 is deze eis voor directe leveringen van geimporteerde bio-LNG / bio-LPG iets anders; de inboeker hoeft niet de massabalans te voeren over de laatste opslaglocatie maar moet een 'gewone' massabalans (als trader) voeren voor de brandstoffen die hij in eigendom heeft gedurende de periode tussen afname bij de productielocatie in het buitenland tot het moment leveren (uitslag tot verbruik) in Nederland.
Voor fysieke bio-LNG en bio-LPG geldt vanaf 2026 tevens een uitzondering van de manier waarop de inboeker moet aantonen dat zijn levering daadwerkelijk de biocomponent bevatte die hij heeft ingeboekt. Dit hoeft hij niet te doen door monstername en analyse, maar kan hij doen met een zogenaamde 'verificatie biomassa'. Deze verificatie vindt plaats op de productielocatie van de bio-LPG en bio-LNG en verschaft de inboeker een manier om aan te tonen dat hij een hoeveelheid vloeibare biobrandstof ter grootte van de inboeking heeft geleverd.
Alhoewel er op het gebied van inboeken van geleverde vloeibare biobrandstoffen het een en ander is gewijzigd vanaf 2026, is het belangrijk om te benadrukken dat de basiscriteria onveranderd zijn. Leveringen van vloeibare biobrandstoffen komen in aanmerking om ingeboekt te worden als het gaat om:
- aan de Nederlandse markt geleverde
- fysieke biobrandstoffen
- die bewezen duurzaam zijn
Ad. 1 Leveren aan de Nederlandse markt
Met leveren aan de Nederlandse markt (voor de sectoren land en binnenvaart) wordt uitslag tot verbruik bedoeld. In bepaalde situaties vallen ook leveringen onder schorsing van betaling van accijns onder de noemer 'leveren aan de Nederlandse markt'. Dit wa in het HBE-systeem ook al het geval.
Ad. 2 Fysieke werkelijkheid
Alleen vloeibare biobrandstoffen die fysiek aan de Nederlandse markt zijn geleverd mogen ingeboekt worden. Dat er daadwerkelijk sprake is van een fysieke hoeveelheid geleverde biobrandstof, moet de inboeker aantonen door middel van monstername en analyse.
Volledigheidshalve:
- Een bewijs van duurzaamheid is geen geldige manier om aan te tonen dat er biobrandstof aanwezig was in een levering.
- Monstername en analyse zijn ook nodig om de biocomponent van ingeboekte 'co-processed brandstoffen' aan te tonen. Dat was al zo, en is ook vanaf 2026 het geval.
Ad 3. Bewezen duurzaam
De vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt, moet duurzaam zijn en geleverd zijn vanaf een fysieke locatie waar de inboeker de massabalans van biobrandstoffen over beheert. Deze locatie moet de laatste locatie vóór levering aan de Nederlandse markt zijn. De inboeker moet voor deze locatie gecertificeerd zijn door een erkend duurzaamheidssysteem. Wil de inboeker de massabalans (als 'trader with storage') over de biobrandstoffen op deze laatste locatie voeren, dan moet hij eigenaar zijn van de biobrandstoffen op die locatie.
Belangrijkste wijzigingen elektriciteit
Inboekers van elektriciteit kunnen vanaf 2026 alleen zelfstandig inboeken als zij voldoen aan een bepaalde drempelwaarde. Het Ministerie van IenW is voornemens om de hoogte van de drempelwaarde in de Regeling energie vervoer vast te stellen op een ingeboekte hoeveelheid van 2 miljoen kWh elektriciteit.
Wanneer een rekeninghouder een jaar niet voldoet aan de drempelwaarde, wordt na de jaarafsluiting de rekening gesloten en kan de onderneming het volgende jaar alleen inboeken via een inboekdienstverlener (zie kopje ‘Inboekdienstverlener’ voor meer informatie).
Elektriciteit heeft een eigen eenheid, namelijk de ERE-E.
De multiplier van 4, die onderdeel was van de berekening van HBE’s, is in de berekening van ERE’s verdwenen. Wel is een hogere fossiele referentie aangehouden voor elektrisch vervoer, waarmee de CO2-reductie wordt vergeleken, dan voor hernieuwbare -en biobrandstoffen. De fossiele referentie voor elektriciteit is namelijk 183, terwijl deze voor biobrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen 94 is.
|
Aantal ERE = levering [kWh] * aandeel hernieuwbaar [%] * 183 [g/MJ] * 3,6 [MJ/kWh] / 1000 |
Onder ‘aandeel hernieuwbaar’ wordt het gemiddelde percentage hernieuwbare elektriciteit in het elektriciteitsnet verstaan. Het uitgangspunt voor dit netpercentage is gebaseerd op de situatie van twee jaar geleden.
Op basis van de cijfers van het CBS wordt jaarlijks het percentage vastgesteld. Het aandeel hernieuwbare elektriciteit is 100% indien de elektriciteit afkomstig is uit hernieuwbare bronnen via opwek op de leverlocatie of een directe lijn, direct aan vervoer wordt geleverd (zie kopje ‘100% hernieuwbare elektriciteit’ ).
Door de introductie van sectorsturing levert een inboeking van elektriciteit geleverd aan wegvervoer een ERE-E op voor de sector land. Een inboeking van elektriciteit geleverd aan de binnenvaart levert een ERE-E op voor de sector binnenvaart en dat geldt ook voor de sector zeevaart. De ERE-E is alleen maar verhandelbaar binnen de sector waarin deze is gecreëerd. De vrije ruimte is dus niet van toepassing op elektriciteit. Gecreëerde ERE’s in de sector land, kunnen niet worden ingezet voor de verplichting van zeevaart of binnenvaart.
Mobiele machines
Vanaf 2026 is het mogelijk om leveringen van elektriciteit aan mobiele (bouw)machines (mobiele werktuigen, landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen) in te boeken. Elektriciteit geleverd aan stationaire machines of installaties is, net als in het HBE-systeem, nog steeds niet inboekbaar.
Walstroom
Walstroom blijft inboekbaar tot en met 2029. Hierna is het niet meer mogelijk om walstroom geleverd aan zeeschepen of binnenvaartschepen in te boeken. De inboekregels voor walstroom zijn gelijk aan de inboekregels voor landbestemmingen.
Luchtvaart
Vanaf 2026 is het niet meer mogelijk om inboekingen te doen voor de bestemming luchtvaart. Hiermee is dokstroom of elektriciteit geleverd aan luchtvoertuigen niet meer inboekbaar.
Vanaf 2026 is de inboekdienstverlener geïntroduceerd als mogelijke inboeker van elektriciteit. De inboekdienstverlener is een onderneming die geaggregeerd leveringen elektriciteit aan vervoer inboekt voor andere ondernemingen of natuurlijke personen. De ondernemingen of natuurlijke personen zijn eigenaar van de aansluitingen, waarvoor de inboekdienstverlener inboekingen registreert.
Hiervoor geldt een aantal uitgangspunten:
- Een inboekdienstverlener dient ingeschreven te zijn bij de KvK;
- Een inboekdienstverlener komt alleen in aanmerking voor een rekening indien zij voldoet aan de drempelwaarde;
- Ondernemingen hebben een aansluiting waar elektriciteit aan vervoer wordt geleverd;
- Ondernemingen machtigen de inboekdienstverlener (ten minste per kalenderjaar) om voor hen in te boeken. De inboekdienstverlener dient per onderneming waarvoor hij inboekt een machtiging te bezitten. Elke onderneming, inclusief dochterondernemingen, dienen individueel de inboekdienstverlener te machtigen. Net zoals voor zelfstandige inboekers, geldt alleen voor de ondernemingen die een inboekdienstverlener machtigen dat het eigenaarschap van de aansluitingen door het jaar heen mag wijzigen;
- Natuurlijke personen hebben een aansluiting waar onder andere elektriciteit aan vervoer wordt geleverd. De natuurlijke persoon dient in het Centraal Aansluitingenregister geregistreerd te staan als eigenaar van de aansluiting;
- Natuurlijke personen machtigen de inboekdienstverlener (ten minste per kalenderjaar) om voor hen in te boeken;
- Machtigingen voor ondernemingen én natuurlijke personen worden ter grootte van gehele kalenderjaren getekend. De machtigingen mogen wel voor meerdere jaren gelden. Dat betekent dat machtigingen geldig kunnen zijn voor één jaar, twee jaar, drie jaar, etc.;
- De inboeking gebeurt nog steeds op basis van de levergegevens die zijn gemeten door het bemeterde leverpunt. Dit geldt voor zowel de ondernemingen als voor de natuurlijke personen. Indien de aansluiting niet exclusief voor vervoer is, moet de meter MID-gecertificeerd zijn;
- De EAN registratie in het Centraal Aansluitingenregister (CAR) is leidend. Inboeken voor een EAN-aansluiting kan alleen indien de onderneming of natuurlijke persoon in het CAR aan de aansluiting is verbonden;
- De inboekdienstverlener draagt zorg voor de correctheid van inboekingen en de bijbehorende administratie en bewijslast;
- De inboekdienstverlener zorgt voor een jaarlijkse verificatie van inboekingen.
Een onderneming kan alleen zelfstandig inboeken wanneer zij voldoet aan de drempelwaarde.
Inboekdienstveleners kunnen vanaf 2026 leveringen elektriciteit aan vervoer van huishoudens met een laadpaal inboeken. Alleen de gemeten aantallen kWh door het bemeterd leverpunt van de laadpaal zijn inboekbaar. In deze leveringen wordt geen onderscheid gemaakt tussen netleveringen of een directe levering van opgewekte energie op eigen locatie. Alleen het netgemiddelde percentage hernieuwbare elektriciteit is inboekbaar. Een MID-gecertificeerde meter op de laadpaal of een exclusieve aansluiting toont aan dat de hoeveelheden ingeboekte kWh uitsluitend naar vervoer zijn gegaan.
Inboekdienstverleners voldoen aan de drempelwaarde door voor alle gemachtigden gezamenlijk minimaal 2 miljoen kWh aan leveringen in te kunnen boeken óf te beschikken over minimaal 200 machtigingen. De inboekdienstverlener maakt voorafgaand aan de rekeningaanvraag aannemelijk dat hij de drempelwaarde haalt.
Regeling energie vervoer stelt nadere regels over de inboekverificatie voor inboekdienstverleners. Net zoals voorheen, geldt vanaf 2026 dat alle inboekers per soort ingeboekte hernieuwbare energie een inboekverificatie moeten uitvoeren door een geaccrediteerde verificateur. Daar vallen alle inboekingen elektriciteit onder die de inboekdienstverlener in dat jaar voor gemachtigden heeft geregistreerd.
Indien de NEa vaststelt dat fouten zijn gemaakt bij de inboeking, komt de handhavende maatregel terecht bij de inboekdienstverlener. Zij zijn aansprakelijk voor foutieve inboekingen.
Er zijn vanaf 2026 nog steeds twee manieren om hernieuwbaar opgewekte elektriciteit die geleverd is aan vervoer in te boeken.
- Als een levering via directe lijn. De elektriciteit is op een andere locatie opgewekt en wordt naar de leverlocatie vervoerd via een directe lijn.
- Opwekken op dezelfde locatie (WOZ-object) waar elektriciteit aan vervoer wordt geleverd wordt.
Voor beide geldt vanaf 2026 de eis dat men moet beschikken over een Garantie van Oorsprong (GvO) niet-netlevering voor de hernieuwbare energie. Voor zowel inboekingen via de directe lijn, als de opwek op eigen locatie mag geen exploitatiesubsidie verkregen zijn. Onder 100% hernieuwbare elektriciteit wordt verstaan: de hoeveelheid geleverde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (uitgezonderd biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas) die blijkt uit de meter van het bemeterd leverpunt en die door garanties van oorsprong voor niet-netlevering van duurzame elektriciteit wordt vergroend. Vanaf 2026 is het dus niet meer mogelijk om elektriciteit opgewekt door biomassa of biogas in te boeken als 100% hernieuwbare elektriciteit.
Vanaf 2026 mag voor beide vormen van hernieuwbare elektriciteit (directe lijn en opwek op dezelfde locatie) geen exploitatiesubsidie betaald zijn. Voor het volume opgewekte kWh waarover u exploitatiesubsidie heeft ontvangen, kunt u dus geen 100% beloning ontvangen.
Verwisselbare voertuigaccu's
Vanaf 2026 is het in bepaalde situaties toegestaan om elektriciteit geleverd aan verwisselbare voertuigaccu’s in te boeken. Dit gaat over een specifiek type accu’s die buiten het voertuig geladen kunnen worden, en vervolgens worden (terug)geplaatst in het voertuig. De accu moet uitsluitend bestemd zijn voor het aandrijven van een voertuig en ook uitsluitend zo gebruikt (kunnen) worden. De overige eisen voor het inboeken van elektriciteit gelden ook voor deze leveringen. Dus de inboeker dient eigenaar te zijn van de netaansluiting van de laadlocatie en de voertuigaccu moet met een bemeterd leverpunt worden geladen.
Het leveren van elektriciteit aan algemene accupakketten, stationaire accu’s of andere batterijen is geen levering aan vervoer en blijft niet inboekbaar.
MID meters buiten de laadpaal
Vanaf 2026 mogen bedrijven bepaalde leveringen niet meer inboeken. Dit gaat om leveringen van elektriciteit waarbij de MID-meter buiten de laadpaal is geplaatst. Vanaf 2026 moet de meter in de laadpaal zelf MID-gecertificeerd zijn óf moet er sprake zijn van een exclusief bemeterd allocatiepunt. Vanwege de technische aanpassingen die nodig zijn voor bestaande situaties die hieraan niet voldoen, staat de NEa voor 2026 een overgangsperiode toe waarin zij niet op dit punt gaat optreden. Dat betekent dat bedrijven een constructie met een MID-meter buiten de laadpaal nog kunnen inboeken in 2026. Per 1 januari 2027 is dit niet meer toegestaan.
Moeder/dochter ondernemingen
Net zoals in 2025 is het vanaf 2026 mogelijk om als zelfstandig inboeker ook inboekingen te doen voor 100% dochterondernemingen. Voor het bewijzen van het halen van de drempelwaarde mogen de cumulatieve laadvolumes worden opgegeven van de moeder- en dochterorganisaties per jaar. Voor ondernemingen die vanwege de drempelwaarde niet zelfstandig kunnen inboeken of niet zelfstandig willen inboeken, geldt dat de machtigingen aan inboekdienstverleners per onderneming moeten worden uitgegeven. Dat betekent dat de machtiging van één onderneming niet geldig is voor haar 100% dochterondernemingen.
Belangrijkste wijzigingen RFNBO's
Onder het begrip 'vervoer' vallen ook mobiele machines. Mobiele machines zijn mobiele werktuigen, landbouwtrekkers en bosbouwmachines.
Waterstofleveringen aan mobiele machines zijn inboekbaar mits geleverd via een bemeterd leverpunt van de locatie waarvoor de inboeker de houder van de Omgevingsvergunning is (en aan de andere inboekvoorwaarden wordt voldaan).
Inboeken van van vloeibare en gasvormige RFNBO's (zoals e-fuels en waterstof) gebeurt met bewijzen van hernieuwbaarheid en niet meer met behulp van vergroening met GvO's. Deze verandering is in 2025 al van kracht geworden en wordt in 2026 voortgezet. .Bij het inboeken moet de niet-biologische oorsprong en de hernieuwbare aard van de brandstoffen worden aangetoond met behulp van bewijzen van hernieuwbaarheid. Die worden uitgegeven door gecertificeerde schakels in de leveringsketen. Het gaat daarbij om certificering door een door de Europese commissie erkend vrijwillig systeem voor het certificeren van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.