Het nieuwe systeem van de brandstoftransitieverplichting introduceert ook een verplichting voor de brandstofleveranciers om emissiereductie te behalen door de inzet van van hernieuwbare waterstof en op hernieuwbare waterstof gebaseerde brandstoffen (vloeibare RFNBO's).
| Omdat het proces van wet- en regelgeving nog loopt, is de informatie op deze pagina niet definitief. Dit betekent dat de regelgeving die straks inwerking treedt kan afwijken van de informatie op deze pagina’s. De huidige webpagina's zijn gebaseerd op de informatie zoals die bij de NEa bekend is. De NEa probeert deze informatie zo actueel mogelijk te houden. |
Uitleg subdoel RFNBO's
Er komt een subdoelstelling voor de inzet van op hernieuwbare waterstof gebaseerde brandstoffen. Dit is om te voldoen aan de Europese minimum inzet voor RFNBO’s (hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong) in vervoer.
Hiervoor komt er naast de bestaande eenheden als geavanceerd, conventioneel, IXb en overig ook een eenheid beschikbaar speciaal voor de inzet van RFNBO's: ERE-R.
De RFNBO subdoelstelling neemt elk jaar toe. De hoogte ervan verschilt per sector. Onderstaande figuur geeft weer hoe hoog de CO2 ketenemissiereductie van de geleverde brandstoffen moet zijn door van de inzet van RFNBO's. Het subdoel voor RFNBO’s is op nationaal niveau opgehoogd met 2 PJ vanwege een toezegging daartoe tijdens de wetsbehandeling. Deze toezegging is in onderstaande tabel verwerkt. Het RFNBO-doel voor de sector land kan als gevolg van deze ophoging niet geheel ingevuld worden met RARE’s.
|
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
opmerking | |
|
sector land
|
0,05%
|
0,1%
|
0,46%
|
0,96%
|
1,45%
|
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk.
|
|
sector binnenvaart |
0,02% |
0,04% |
0,09% |
0,17% |
0,34% |
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk. Volledige inzet van RARE's mogelijk voor subdoelstelling. |
|
sector zeevaart |
--- |
0,02% |
0,08% |
0,16% |
0,32% |
Inzet ERE-R uit andere sectoren niet mogelijk. Volledige inzet van RARE's mogelijk voor subdoelstelling. |
Hoe kan ik voldoen aan de RFNBO subdoelstelling?
Bedrijven met een verplichting moeten jaarlijks voldoende ERE-R op rekening hebben staan om te kunnen voldoen aan de subdoelstelling. ERE-R onstaat door het inboeken van leveringen hernieuwbare waterstof e/o leveringen van vloeibare RFNBO's aan vervoer.
- Voor de RFNBO subdoelstelling sector land mogen géén ERE's worden ingezet die zijn ontstaan door leveringen in een andere sector.
- Voor de RFNBO subdoelstelling sector zee- en binnenvaart mogen wel ERE's worden ingezet die zijn ontstaan door leveringen in een andere sector.
Naast ERE-R mogen ook zogenaamde Raffinage-reductie-eenheden (RARE's) worden ingezet om aan de subdoelstelling te voldoen. RARE's onstaan door de inzet van hernieuwbare waterstof in rafinaderijen. RARE's kunnen enkel gebruikt worden om aan de subdoelstelling te voldoen. Het is niet mogelijk om meer RARE's in te zetten dan nodig voor de subdoelstelling. Voor ERE-R geldt deze beperking niet: deze kunnen ook gebruikt worden voor het de totale doelstelling.
Een bedrijf met een verplichting moet zelf de afweging maken of het hernieuwbare waterstof e/o leveringen vloeibare RFNBO's gaat inboeken om zo ERE-R te verkrijgen, of door hoeveelheden ERE-R of RARE te kopen van anderen.
Hernieuwbare waterstof van niet-biologische oorsprong komt in aanmerking om ingeboekt te worden voor ERE-R.
De criteria voor de kenmerken 'hernieuwbaarheid' en 'niet-biologische oorsprong' zijn vastgelegd in de gedelegeerde verordeningen 2023/1184 en 2023/1185. Het aantonen dat aan deze criteria is voldaan moet gebeuren met een bewijs van hernieuwbaarheid dat wordt opgesteld door schakels in de leveringsketen die zijn gecertificeerd volgens een vrijwillig schema voor het certificeren waterstof als RFNBO.
Een inboeker die hernieuwbare waterstof levert moet het bewijs van hernieuwbaarheid in zijn eigen administratie bewaren om zijn inboekingen te kunnen onderbouwen. Bij het inboeken registreert de inboeker de gegevens van het bewijs van hernieuwbaarheid. Daarmee levert de inboeker het bewijs van hernieuwbaarheid als het ware in bij de NEa.
De inboekeisen voor hernieuwbare waterstof die vanaf 2026 zullen gelden, lijken voor het overgrote deel op de huidige inboekeisen. Deze staan uitgelegd op deze webpagina. Net zoals uit de huidige inboekeisen blijkt, komen leveringen van hernieuwbare waterstof geleverd aan mobiele machines in het nieuwe systeem ook niet in aanmerking voor inboeken.
Vloeibare RFNBO's komen in aanmerking om ingeboekt te worden voor ERE-R. Net als bij hernieuwbare waterstof van niet-biologische oorsprong (gasvormige RFNBO's), geldt ook voor de vloeibare RFNBO's dat de criteria voor de kenmerken 'hernieuwbaarheid' en 'niet-biologische oorsprong' zijn vastgelegd in de gedelegeerde verordeningen 2023/1184 en 2023/1185. Het aantonen dat aan deze criteria is voldaan moet gebeuren met een bewijs van hernieuwbaarheid dat wordt opgesteld door gecertificeerde schakels in de leveringsketen die een massablans voeren over de vloeibare RFNBO's voeren.
Een inboeker die vloeibare RFNBO's levert en wil inboeken is ook een schakel in de keten en moet dus ook gecertificeerd zijn volgens een vrijwillig systeem voor het certificeren van RFNBO's en een massabalans van vloeibare RFNBO's over zijn opslaglocatie voeren. Bij het inboeken registreert de inboeker de gegevens van het bewijs van hernieuwbaarheid. Daarmee levert de inboeker het bewijs van hernieuwbaarheid als het ware in bij de NEa.
De inboekeisen van vloeibare RFNBO’s in 2026 lijken voor het overgrote deel op de inboekeisen die momenteel gelden. De huidige inboekeisen staan uitgelegd op deze webpagina
Het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt het vanaf 2026 mogelijk om voor hernieuwbare waterstof gebruikt in de productie van transportbrandstoffen ook eenheden te verkrijgen.
Brandstofleveranciers kunnen deze raffinagereductie-eenheden (RARE's) gebruiken om te voldoen aan het subdoel voor RFNBO’s. Vooralsnog lijkt het erop dat voor de subdoelstelling volledig behaald kan worden door de inzet van RARE's. Uiteindelijk zal dit worden vastgelegd in de Regeling energie vervoer.
Inboekentiteit
Het inboeken van een hoeveelheid hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong die is ingezet in een raffinaderij, is voorbehouden aan 'raffinaderijhouders'. Een raffinaderijhouder is gedefinieerd als een houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns voor minerale oliën voor een raffinaderij. Het kan daarbij gaan om raffinaderijen die conventionele vervoersbrandstoffen produceren als biobrandstoffen.
Omdat het inboeken voor RARE's is voorbehouden aan deze raffinaderijhouders, betekent dit dat (het overgrote deel van) de brandstofleveranciers met een brandstoftransitieverplichting niet in aanmerking komen om zelf in te boeken voor RARE's. Brandstofleveranciers met een verplichting kunnen wel RARE's kopen van deze inboekers en inzetten voor hun RFNBO-subdoel.
Inboekeisen
Een nadere uitleg over de inboekeisen om RARE's te creëren volgt zodra de aanpassingen van de Regeling energie vervoer bekend zijn. Al wel is duidelijk: de producent van biobrandstof die gebruik maakt van hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong mag deze maar één keer inzetten: óf als RARE óf als een lagere CO2-eq ketenemissie.
Inboekverificatie
Net als bij het inboeken van de andere vormen van hernieuwbare energie geleverd aan vervoer, geldt ook voor de ingeboekte RFNBO’s in een raffinaderij een verplichte inboekverificatie. Hieruit blijkt of de ingeboekte leveringen aan alle wettelijke vereisten voldoet. Als de inboekverificatie niet met goed gevolg is afgerond, verstrekt de verificateurinboeker een rapport van bevindingen. De verificateur registreert de uitkomsten van de inboekverificatie over de inboekingen in het REV. Voor meer uitleg zie ‘Inboekverificatie’ op deze webpagina.