Let op! Informatie op deze pagina is alleen relevant voor de HBE-systematiek. Klik op onderstaande knop om naar de ERE-systematiek te gaan.
Inboeken vloeibare biobrandstoffen
Bedrijven die een hoeveelheid duurzame vloeibare biobrandstof aan de Nederlandse markt geleverd hebben, kunnen deze levering inboeken op hun rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV). Zij ontvangen daarvoor Hernieuwbare Brandstofeenheden (HBE’s), waarvan de hoeveelheid en de soort afhangt van de grondstof van de biobrandstof.
De werkwijze met betrekking tot het inboeken van geleverde vloeibare biobrandstoffen aan vervoer, sluit aan bij de systematiek en begrippen uit de Wet op de accijns.
Inboekvoorwaarden
Een levering van vloeibare biobrandstoffen die wordt ingeboekt, moet aantoonbaar aan de Nederlandse markt zijn geleverd en bovendien duurzaam zijn.
1. Levering aan de Nederlandse markt
De vloeibare biobrandstof moet fysiek zijn geleverd aan de Nederlandse markt. Vaak gebeurt dit als bio-component van een minerale olie, zoals diesel of benzine. Leveren aan de Nederlandse markt is wettelijk gedefinieerd als uitslag tot verbruik, een term uit de Wet op de accijns.
Dat er sprake is van uitslag tot verbruik moet door de inboeker worden aangetoond in zijn accijnsadministratie.
- dit kan gaan om uitslag door de inboeker zelf,
- of in bepaalde gevallen om uitslag door een AGP-vergunninghouder die de levering van de inboeker ontvangt.
(zie ‘Uitslag tot verbruik: brandstoffen en bestemmingen' hieronder)
De relatie met uitslag tot verbruik maakt duidelijk dat inboeken pas aan het einde van de leveringsketen aan de orde is, in principe door de laatste schakel in de leveringsketen. De hoofdregel is eenvoudig weer te geven:
De inboeker moet met zijn eigen boekhouding kunnen aantonen dat de ingeboekte levering (als onderdeel van een minerale olie) is uitgeslagen tot verbruik.
Dit betekent dus dat de inboeker zelf de ingeboekte biobrandstof moet hebben uitgeslagen tot verbruik.
Uitzondering
In bepaalde gevallen komen ook leveringen onder schorsing van betaling van accijns in aanmerking om ingeboekt te worden. In dat geval slaat de inboeker de brandstof niet zelf uit en draagt hij niet zelf de accijns hiervoor af, maar verlegt hij de accijnsbetaalverplichting aan een andere vergunninghouder AGP.
Of dit is toegestaan hangt af van de soort brandstof die is uitgeslagen en de bestemming waaraan geleverd is. De soort brandstof bepaalt ook of er aanvullende bewijslast nodig is.
Een belangrijk vertrekpunt hierbij is dat de inboeker er te allen tijde zelf verantwoordelijk voor is dat tegenover zijn inboekingen ook echt fysieke leveringen van biobrandstof staan, die eindigen op de bij de inboeking opgegeven bestemming. Als de bestemming uiteindelijk een andere blijkt te zijn dan opgegeven bij de inboeking, dan kan dit voor de NEa aanleiding zijn om op te treden tegen de inboeker (en niet tegen zijn (eind)afnemer).
Uitslag tot verbruik of levering onder schorsing?
De bestemming, in combinatie met het brandstoftype waarvan de biobrandstof onderdeel uitmaakt, bepalen dus in belangrijke mate op welke manier de inboeker moet aantonen dat de door hem ingeboekte biobrandstof is geleverd aan de Nederlandse markt en of de inboeker de biobrandstof zelf moet uitslaan tot verbruik of dat hij deze mag leveren onder schorsing van betaling van accijns.
Onderstaande tabel geeft per brandstof – bestemming combinatie aan of de in te boeken biobrandstof door de inboeker zelf moet zijn uitgeslagen, of dat het ook mogelijk is om een levering onder schorsing van betaling van accijns aan een andere AGP in te kunnen boeken.
1. Landbestemmingen en pleziervaartuigen
| Biobrandstof als onderdeel van |
Uitslag tot verbruik / levering onder schorsing door inboeker | Overige aandachtspunten |
|---|---|---|
|
Standaardbrandstof, o.a.
| Uitslag tot verbruik | |
|
Levering onder schorsing via |
Met behulp van een tankwagen | |
|
Niet-standaardbrandstof: benzine, diesel of gasolie voor mobiele machines, |
Uitslag tot verbruik | Onder meer factuur en betaalbewijs voor aantonen eindbestemming |
* Bepaling 1.4 van de Beleidsregels accijnswetgeving (A-B-C-transacties tussen vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën voor afhaaltransacties per truck bij depots en raffinaderijlaadpunten).
2. Binnenvaart (voor de aandrijving van / als scheepsbehoefte in binnenschepen*)
| Biobrandstof als onderdeel van | Uitslag tot verbruik / levering onder schorsing door inboeker | Overige aandachtspunten |
|---|---|---|
|
Standaardbrandstof voorzien van roodkleuring, o.a.
Fysieke roodkleuring** moet in alle situaties aangetoond kunnen worden. | Uitslag tot verbruik | |
|
Levering onder schorsing via A-B-C afhaaltransacties*** |
Met behulp van een tankwagen | |
|
Levering onder schorsing aan bunkerdienstverlener**** |
| |
|
Niet-standaardbrandstof voorzien van roodkleuring: - gasolie met meer dan 50% biobrandstof
|
Uitslag tot verbruik | Onder meer bunkerverklaring, factuur en betaalbewijs****** voor aantonen levering aan / gebruik door binnenschip |
| Levering onder schorsing aan bunkerdienstverlener |
|
* De vaardocumenten behorende bij het schip waaraan geleverd is, bepalen of er sprake is van een levering aan een zeeschip (zeepapieren) of een binnenschip (binnenvaartpapieren). De plaats waar het schip naar toe vaart, is niet van belang. De papieren die het schip op het moment van belevering door de inboeker heeft, bepalen of er sprake is van een levering aan binnen- of zeeschip. Vaart een schip met binnenvaartpapieren (certificaten van onderzoek) en een ENI (een Europees scheepsidentificatienummer voor binnenschepen), dan ziet de NEa het als binnenschip.
** Roodkleuring: brandstof voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in lid 3 van Artikel 1a van de Wet op Accijns.
*** Bepaling 1.4 van de Beleidsregels accijnswetgeving (A-B-C-transacties tussen vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën voor afhaaltransacties per truck bij depots en raffinaderijlaadpunten).
**** Bunkerdienstverlener: bunkeraar die wordt ingeschakeld door de inboeker om de (bio)brandstof te transporteren naar de klant van de inboeker voor eindgebruik (voortstuwing / scheepsbehoeften aan boord van het binnenschip).
***** Bunkerverklaring: verklaring, bedoeld in artikel 19 Uitvoeringbesluit accijns, met de gegevens, bedoeld in artikel 29 Uitvoeringregeling accijns.
****** Factuur en betaalbewijs hoeft in deze situatie niet persé uit naam van inboeker te gebeuren. Mag ook uit naam van een andere partij (bijv. zuster- of moederbedrijf).
3. Zeevaart (voor de aandrijving van / als scheepsbehoefte in zeeschepen*)
|
Biobrandstof als onderdeel van |
Uitslag tot verbruik / levering onder schorsing door inboeker | Overige aandachtspunten |
|---|---|---|
|
Diesel- en gasolie voor scheepvaart, scheepsbrandstof, EN15940 en LPG ongeacht het gehalte biobrandstof, of als een pure biobrandstof:
Het moet om een geavanceerde biobrandstof*** gaan. | Uitslag tot verbruik |
|
| Levering onder schorsing aan bunkerdienstverlener**** |
|
* De vaardocumenten behorende bij het schip waaraan geleverd is, bepalen of er sprake is van een levering aan een zeeschip (zeepapieren) of een binnenschip (binnenvaartpapieren). De plaats waar het schip naar toe vaart, is verder niet van belang. De papieren die het schip op het moment van belevering door de inboeker heeft, bepalen of er sprake is van een levering aan binnen- of zeeschip. Schepen die varen met zeepapieren en een IMO-nummer, worden als zeeschip gezien. Voor binnen-buitenschepen, die beide documenten aan boord hebben, is leidend welke papieren ze op het moment van tanken gebruiken.
** Roodkleuring: brandstof voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in lid 3 van Artikel 1a van de Wet op Accijns.
*** Geavanceerde biobrandstof: biobrandstof geproduceerd van grondstoffen genoemd in bijlage IX, deel A, van de richtlijn hernieuwbare energie of in bijlage 5 van de Regeling energie vervoer.
**** Bunkerdienstverlener: bunkeraar die wordt ingeschakeld door de inboeker om de (bio)brandstof te transporteren naar de klant van de inboeker voor eindgebruik (voortstuwing / scheepsbehoeften aan boord van het zeeschip).
***** Bunkerverklaring: verklaring, bedoeld in artikel 19 Uitvoeringbesluit accijns, met de gegevens, bedoeld in artikel 29 Uitvoeringregeling accijns.
****** Factuur en betaalbewijs hoeft in deze situatie niet persé uit naam van inboeker te gebeuren. Mag ook uit naam van een andere partij (bijv. zuster- of moederbedrijf).
4. Luchtvaart
Inboekbaar t/m 2025
| Biobrandstof als onderdeel van |
Uitslag tot verbruik / levering onder schorsing door inboeker | Overige aandachtspunten |
|---|---|---|
|
halfzware olie (kerosine), |
|
|
Voor elke levering van duurzame biobrandstof die wordt ingeboekt, gelden wettelijke eisen om zeker te stellen dat de biobrandstof fysiek is geëindigd op een bestemming die voor inboeking in aanmerking komt.
Een belangrijk vertrekpunt hierbij is dat de inboeker er te allen tijde zelf verantwoordelijk voor is dat tegenover zijn inboekingen ook echt fysieke leveringen van biobrandstof staan, die eindigen op de bij de inboeking opgegeven bestemming.
Als de bestemming uiteindelijk een andere blijkt te zijn dan opgegeven bij de inboeking, dan kan dit voor de NEa aanleiding zijn om op te treden tegen de inboeker (en niet tegen zijn (eind)afnemer). Dit uitgangspunt geldt voor alle inboekingen en daarom ook bij de onderstaande uitwerking.
Voor een EN15940 (bio)brandstof geleverd vanaf 2023 aan landbestemmingen en binnenvaart:
- Kan ook de levering per truck via een A-B-C-afhaaltransactie worden ingeboekt;
- Hoeft de eindbestemming niet meer aangetoond te worden m.b.v. een factuur en betaalbewijs.
Ook een EN15940 biobrandstof is vanwege zijn specificaties een ‘standaardbrandstof’ waarvan de regelgeving veronderstelt dat deze (direct) aan de Nederlandse markt wordt geleverd. Ook al kunnen EN15940 brandstoffen een hoog biogeen gehalte bevatten (bijv. een HVO100 die aan EN15940 voldoet), toch zijn de aantoonbaarheidseisen gelijk gesteld aan die van ‘lage blends’ zoals een levering van een B7 (EN590) of een E10 (EN228).
Leveringen onder schorsing van betaling van accijns volgens de zogenaamde A-B-C-afhaaltransacties, komen alleen in aanmerking voor inboeking wanneer de biocomponent onderdeel uitmaakt van een ‘standaardbrandstof’ en als er geleverd is aan landbestemmingen en de binnenvaart. Met standaardbrandstoffen worden een EN228-benzine, een EN590-diesel, een EN15940, bio-LNG of een gasolie met maximaal 50% biobrandstof bedoeld. Het moet dan gaan om A-B-C-afhaaltransacties als bedoeld in bepaling 1.4 van de Beleidsregels accijnswetgeving, waarbij de AGP-vergunninghouder die de (bio)brandstof afhaalt bij de inboeker deze brandstof direct uitslaat tot verbruik.
In de Nieuwsbrief Energie voor Vervoer van 23 december 2021 heeft de NEa benoemd dat wanneer de inboeker niet slaagt in het aantonen van uitslag tot verbruik door hemzelf of de afnemende AGP, hij de betreffende leveringen niet mag inboeken. Het is gebleken dat bij deze eis de winst in extra zekerheid over de eindbestemming niet opweegt tegen de toenemende lasten voor de bedrijven.
De NEa blijft daarom uitgaan van de veronderstelling dat dit soort ‘standaardbrandstoffen’ geleverd volgens A-B-C-afhaaltransacties, eindigen op een bestemming die voor inboeking in aanmerking komt. Dit betekent dat de inboeker niet actief contracten hoeft aan te passen of verklaringen moet opvragen bij zijn afnemer.
Dit neemt niet weg dat dat inboekers zich ervan bewust moeten zijn dat de door hen geleverde biobrandstof moet eindigen in de bij de inboeking opgegeven eindbestemming. Het is aan de inboekers zelf om er zorg voor te dragen dat dit het geval is.
Ook hier geldt dat de NEa wel tegen de inboeker kan optreden als zij vaststelt dat de ingeboekte biocomponent elders is geëindigd dan op de bij inboeking opgegeven bestemming.
Twee scenario’s zijn denkbaar in de praktijk waarbij de inboeker veraccijnsd een brandstof levert (uitslaat tot verbruik) aan zijn afnemer (die geen AGP-vergunninghouder is):
- De afnemer van de veraccijnsde brandstof is zelf een onderneming die de brandstof inzet op de bij de inboeking opgegeven bestemming. Als de inboeker bijvoorbeeld levert aan een transportonderneming, dan is het aannemelijk dat de afnemer de brandstof inzet voor zijn wegvoertuigen. Factuur en betaalbewijs (ten name van de afnemer) bieden in deze situatie, in combinatie met de activiteiten van de afnemer, houvast om de bestemming aannemelijk te maken.
- De afnemer van de veraccijnsde brandstof is een ‘handelaar’: een onderneming die de brandstof weer doorlevert aan een andere partij. Ook in dit geval zijn factuur en betaalbewijs vereist (van de levering aan de handelaar), maar deze bieden geen inzicht in de eindbestemming.
Voor de tweede situatie heeft de NEa eerder benoemd dat de inboeker ‘ander aanvullend bewijs’ moet kunnen overhandigen waaruit de eindbestemming blijkt en dat hij hiervoor op 1 juli 2022 de administratie op orde moet hebben. In de voorbije maanden zijn er slechts beperkt aanknopingspunten gevonden voor de manier waarop de inboeker in deze situatie de eindbestemming aannemelijk kan maken.
Anders dan de administratie die de levering van de inboeker aan de handelaar (factuur en betaalbewijs) aantoont, verlangt de NEa geen aanvullend bewijs van de inboeker als het gaat om het aantonen van de eindbestemming. De NEa eist dus niet van de inboeker dat hij over facturen en betaalbewijzen beschikt van de afnemers van een dergelijke handelaar; dit zijn gegevens die handelaren ook niet prijs zullen willen geven aan de inboekende toeleverancier. De eerder gestelde termijn van 1 juli voor het op orde brengen van de bewijsvoering op dat punt, doet dus niet meer ter zake.
Wel is cruciaal dat inboekers zich ervan bewust zijn dat de door hen geleverde biobrandstof moet eindigen in de bij de inboeking opgegeven eindbestemming. Het is aan de inboekers zelf om er zorg voor te dragen dat desgewenst afspraken worden gemaakt in de rest van de leveringsketen. Als de NEa na een toezichtsbezoek bij een afnemende handelaar vaststelt dat de eindbestemming van de biobrandstof anders is dan door de inboeker opgegeven, dan zal de NEa de inboeker daarop aanspreken en tegen hem kunnen optreden.
Alleen vloeibare biobrandstoffen die fysiek aan de Nederlandse markt zijn geleverd mogen ingeboekt worden. Dat er daadwerkelijk sprake is van een fysieke hoeveelheid geleverde biobrandstof, moet de inboeker aantonen door middel van monstername en analyse. Dit is uitgewerkt in bijlage 1 (deel B) van de Regeling energie vervoer.
Een bewijs van duurzaamheid is geen geldige manier om aan te tonen dat er biobrandstof aanwezig was in een levering, maar een bewijs om de duurzaamheid van een biobrandstof aan te tonen.De monstername en analyse hebben betrekking op de ingeboekte brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt geleverd heeft. De analyse moet gebeuren met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de aanwezigheid van een biobrandstof en op basis van een representatief monster. Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bio-ethanol en ETBE, gebeurt de analyse door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium.
Een monstername en analyse moet gebeuren:
- door de inboeker zelf op de brandstof die de AGP-locatie verlaat en ingeboekt wordt, of
- door de toeleverancier van de inboeker op de brandstof die de AGP-locatie van de inboeker binnenkomt.
In het laatste geval moet de inboeker met een betrouwbare overpomp- en opslagboekhouding van de locatie kunnen aantonen dat de door hem van zijn toeleverancier ontvangen biobrandstof dezelfde partij is als die door hem aan de Nederlandse markt is geleverd.
Deze leidraad geeft meer informatie over de monstername en analyse van biobrandstoffen.
Voor bepaalde biobrandstoffen zal de bewijsvoering door de inboeker verder gaan dan wat gangbaar is om brandstoffen op specificaties te controleren. HVO is bijvoorbeeld met een gangbare analyse moeilijk te onderscheiden van GTL, maar met een C14-analyse (koolstofdatering) is dit wel te realiseren.
Het gebruik van C14-analyse is niet verplicht, maar vooralsnog wel de enige beschikbare oplossing die past binnen de kaders van bijlage 1, deel B van de Regeling.
Brandstofproducenten kunnen brandstoffen maken door het gelijktijdig, in één proces, verwerken van fossiele en biogene grondstoffen. Dit heet ook wel co-processing. Brandstofleveranciers die deze brandstoffen op de markt brengen, kunnen deze inboeken in het NEa-register.
Het biogene deel van de co-processed brandstof geldt als een vloeibare biobrandstof. De inboeker moet daarom voldoen aan de voorwaarden die gelden voor vloeibare biobrandstoffen. Dit betekent onder andere dat de inboeker het biogene aandeel moet kunnen aantonen (zie C14-kader). Voor de duurzaamheid van de biobrandstof geldt dat de inboeker een bewijs van duurzaamheid moet gebruiken. Voor dubbeltelling gelden dezelfde regels als voor alle andere biobrandstoffen.
Voor de producent geldt dat deze zich moet houden aan de regels vanuit het gekozen duurzaamheidsschema dat de eisen volgt uit de gedelegeerde verordening die de Europese Commissie hiervoor opstelde.
Wanneer voor een levering van de inboeker naar de eindafnemer (het zeeschip of het binnenschip) een bunkerdienstverlener wordt ingezet dient er een directe klantrelatie tussen de inboeker en de eindafnemer te zijn. De directe klantrelatie is in deze situatie van belang omdat aangetoond moet worden dat de bunkerdienstverlener die de levering uitvoert daadwerkelijk klanten van de inboeker belevert, en niet de klanten van de bunkerdienstverlener zelf of de klanten van een andere partij. Dat betekent dat de eindafnemer gefactureerd dient te worden door de inboeker, waardoor de klantrelatie en bestemming met een factuur en betaalbewijs in de boekhouding van de inboeker zelf aangetoond kan worden. Facturering aan de eindafnemer door of via een andere partij dan de inboeker is in deze situatie dus niet toegestaan.
Bovenstaande is niet van toepassing als de inboeker aan het zee-of binnenschip (de eindafnemer) levert en daarbij zelf uitslaat tot verbruik. Dat betekent dat in deze situatie de facturering aan de eindafnemer eventueel ook door of via een andere partij dan de inboeker gedaan mag worden.
Voor meer informatie over het inschakelen van de bunkerdienstverlener zie deze webpagina.
2. Duurzaamheid van de biobrandstof
De vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt, moet duurzaam zijn en geleverd zijn vanaf een fysieke locatie waar de inboeker de massabalans van biobrandstoffen over beheert. Deze locatie kan een eigen accijnsgoederenplaats zijn of een accijnsgoederenplaats van een derde, maar van belang is dat de inboeker gecertificeerd is door een Europees erkend duurzaamheidssysteem voor de locatie vanwaar hij levert. Met andere woorden: de certificering van het gehanteerde duurzaamheidsysteem van de inboeker, heeft betrekking op de locaties waarvan de levering van de vloeibare biobrandstof plaatsvindt.
Om de duurzaamheid van de geleverde biobrandstof aan te tonen, stelt de inboeker, ter grootte van de geleverde biobrandstof, een bewijs van duurzaamheid voor de NEa op dat hij in de eigen administratie bewaart. Van belang is dat de duurzaamheidkenmerken van de biobrandstof op het bewijs van duurzaamheid en die van de inboeking in het register overeenkomen.
Voor een fossiel deel van een brandstof mag een inboeker geen bewijs van duurzaamheid opmaken.Eenmaal ingeboekte biobrandstof mag niet als duurzame biobrandstof worden doorgeleverd. De duurzaamheidsclaim vervalt bij het inboeken. Hierdoor kan de duurzaamheid slechts door één partij verzilverd worden met Hernieuwbare Brandstofeenheden (HBE’s). Dit wordt geborgd doordat de inboeker in de massabalans de ingeboekte biobrandstoffen afboekt en de bestemming ‘NEa’ geeft.
Als een bedrijf de duurzaamheid van biobrandstoffen niet kan aantonen, dan kan het deze brandstoffen niet inboeken in het REV. Hiervoor ontvangt het bedrijf dus geen HBE’s.
Berekening aantal HBE's
Dubbeltelling
Biobrandstoffen gemaakt van bepaalde grondstoffen komen in aanmerking om dubbel geteld te worden. Een levering biobrandstoffen met een fysieke energie-inhoud van één GJ levert dan twee HBE’s op.
Bedrijven die een biobrandstof als dubbeltellend willen inboeken in het REV, moeten voor deze biobrandstof een dubbeltellingverklaring in de eigen administratie hebben. Deze verklaring bewijst dat de dubbeltelling is bevestigd door een onafhankelijke verificateur en voldoet aan de wettelijke voorwaarden. De verificateur moet bevoegd zijn om dubbeltellingverificaties uit te voeren.
De bij inboeking ingezette dubbeltellingverklaring en het bewijs van duurzaamheid moeten betrekking hebben op dezelfde brandstof en grondstoffen.
Overige vermenigvuldigingsfactoren
De leveringen van vloeibare biobrandstof aan de luchtvaart en zeevaart worden vermenigvuldigd met een bepaalde factor. Op dit moment is de vermenigvuldigingsfactor voor leveringen aan luchtvaart vastgesteld op 1,2 voor zover het geen conventionele biobrandstof betreft. De vermenigvuldigingsfactor voor leveringen aan de zeevaart bedraagt 0,4 (was 0,8 in 2023).
| Aantal HBE's = Volume X Verbrandingswaarde X 2 X 0,4 of 1,2 (in l15) (standaard / variabel*) (als dubbeltellend) (als zee**-/luchtvaart) |
|
* Voor sommige biobrandstoffen geeft de Richtlijn hernieuwbare energie geen onderste verbrandingswaarde. Dit is bijvoorbeeld het geval bij geraffineerde olie. In zulke gevallen moet de inboeker de onderste verbrandingswaarde van de betreffende biobrandstof laten vaststellen door een volgens ISO/IEC17025 geaccrediteerd lab. Hierbij geldt dat de opgegeven verbrandingswaarde representatief dient te zijn voor de ingeboekte brandstof. De inboeker moet beschikken over een bewijsstuk hiervan. In het REV kan de inboeker zelf de onderste verbrandingswaarde opgeven. In het document met referentiegegevens REV staan de onderste verbrandingswaarden van biobrandstoffen waar de Richtlijn wel een standaard verbrandingswaarde bevat. |
Inboeking vloeibare biobrandstof: te registreren gegevens
Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof, voert de inboeker de volgende gegevens in het Register:
- de soort vloeibare biobrandstof,
- de hoeveelheid in liters bij 15°C,
- of de biobrandstof onderdeel uitmaakte van hoge of lage blend (meer of minder dan 50% biogeen gehalte)
- de onderste verbrandingswaarde (als het gaat om niet-standaard biobrandstoffen)
- de locatie waar vanaf geleverd is,
- de datum of de periode van levering,
- het type levering (uitslag tot verbruik of levering onder schorsing van betaling van accijns)
- het gehanteerde duurzaamheidssysteem,
- het nummer van het bewijs van duurzaamheid,
- de grondstof(fen) en land(en) van herkomst,
- de broeikasgasemissiefactor in g CO2 eq/MJ.
- de indicatie van de startdatum van de productielocatie van de biobrandstof,
In geval van dubbeltelling, voert de inboeking ook de volgende gegevens in:
- het nummer van de dubbeltellingverklaring,
- het nummer van de ingetrokken verklaring(en)en (bij splitsing).