Levert u brandstoffen aan de zeevaart? Dan heeft u vanaf 2026 te maken met de brandstoftransitieverplichting. Hier leest u meer over het systeem van de brandstoftransitieverplichting, en hoe u aan uw verplichting kunt voldoen.
Actueel
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft, in overleg met de minister, daarom besloten tot een gerichte, tijdelijke mitigerende maatregel in 2026. Hij beoogt hiermee aan de ene kant een ongelijk speelveld voor brandstofleveranciers tegen te gaan, en aan de andere kant geen onnodige belemmering te vormen voor de productie hernieuwbare brandstoffen.
Lees voor meer informatie het volledige bericht dat het ministerie op 10 december publiceerde: Tijdelijke mitigerende maatregel in 2026 voor verplichtingen scheepvaartsectoren.
Vanwege de brandstoftransitieverplichting moeten brandstofleveranciers hernieuwbare energie inzetten en zo de CO2-emissies in de vervoerssector verlagen. Tot en met 2025 geldt dat alleen leveranciers van brandstoffen aan landbestemmingen op deze manier verduurzamen, maar vanaf 2026 moeten brandstofleveranciers die brandstoffen leveren aan de sector zeevaart dat ook doen.
Beknopte uitleg brandstoftransitieverplichting
Het systeem van de brandstoftransitieverplichting is het Nederlandse stelsel van wet- en regelgeving dat als doel heeft om de Europese verduurzamingsdoelen voor de vervoerssector (Richtlijn hernieuwbare energie – RED3) en de klimaatambities voor vervoer uit het Nederlandse Klimaatakkoord te verwezenlijken.
De brandstoftransitieverplichting houdt in dat brandstofleveranciers de broeikasgasuitstoot van de door hun geleverde brandstoffen jaarlijks met een bepaald percentage moeten verminderen.
- Om de hoogte van de brandstoftransitieverplichting vast te stellen, moet een brandstofleverancier ieder jaar zijn brandstofleveringen bij de NEa registreren. Het NEa-register (REV) stelt dan vast hoe hoog de verplichting is.
- De verplichting wordt uitgedrukt in Emissiereductie-eenheden (ERE’s): 1 ERE staat voor 1 kg CO2 vermindering. Het REV berekent dus hoeveel ERE’s de brandstofleverancier nodig heeft, op basis van de door hem geregistreerde brandstofleveringen.
- De brandstofleverancier moet elk jaar het benodigde aantal ERE’s op zijn rekening in het NEa register hebben staan.
- De brandstofleverancier kan ERE’s verkrijgen door hernieuwbare energie, bijvoorbeeld biobrandstoffen, te leveren en te registreren (inboeken), bij de NEa.
- Maar hij kan er ook voor kiezen om aan zijn verplichting te voldoen door ERE’s te kopen van andere brandstofleveranciers.
De systematiek van de brandstoftransitieverplichting is een handelssystematiek en de ERE’s zijn verhandelbare eenheden. Een brandstofleverancier is dus niet verplicht om zelf biobrandstoffen bij te mengen om zijn emissies te verminderen en zo de benodigde ERE’s te verkrijgen. Hij kan er ook voor kiezen om ERE’s te kopen van anderen. Een brandstofleverancier moet zelf afwegen wat voor hem de beste keuze is.
Verplichting voor MARPOL brandstofleveranciers die BDN's opstellen
De levering van brandstoffen aan de zeevaart moet voldoen aan het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL). De brandstofleverancier moet op de brandstofleveringsnota (de Bunker Delivery Note -BDN-) verklaren daaraan te voldoen. Het is verboden een andere brandstof te leveren dan op de BDN staat, en daarmee is de BDN maatgevende informatie voor de brandstoflevering. De ILT houdt hierop toezicht. Meer informatie leest u op deze webpagina.
De brandstoffen die u levert aan zeeschepen waarvoor u een BDN moet opstellen, vallen onder de reikwijdte van de brandstoftransitieverplichting. Als het totaal geleverde volume waarvoor u BDN’s heeft opgesteld meer dan 500.000 liter in een kalenderjaar bedraagt, heeft u te maken met de brandstoftransitieverplichting. Blijft u in een kalenderjaar onder deze grens, dan geldt de brandstoftransitieverplichting (in dat kalenderjaar) niet.
Uw brandstofleveringen waarvoor u geen BDN hoeft op te stellen, zoals bijvoorbeeld het leveren aan binnenschepen of kleine pleziervaartuigen, vallen niet onder de reikwijdte van de brandstoftransitieverplichting zeevaart. Ook zijn hiermee bepaalde brandstoffen uitgesloten.
|
Aanpassing Besluit brandstoffen luchtverontreiniging
|
Mocht u twijfelen of u voor uw brandstofleveringen een BDN moet opstellen, dan kunt u het beste contact opnemen met ILT.
Beslisboom brandstoftransitieverplichting zeevaart
Nadere uitleg brandstoftransitieverplichting
Een brandstofleverancier met een brandstoftransitieverplichting moet elk jaar de CO2 uitstoot van brandstoffen die hij heeft geleverd met een bepaald percentage verminderen. De benodigde emissiereductie wordt beoordeeld op basis van alle emissies in de keten, dat betekent vanaf de winning van de grondstoffen tot en met de verbranding van de brandstof in het voertuig.
De hoogte van de verplichting zal in de loop der tijd toenemen. In 2026 moet in de zeevaart een ketenemissiereductie van 3,6% behaald worden. Dit loopt op tot een reductie van 8,2% in 2030.
- Deze reducties moeten grotendeels ingevuld worden door emissiereducties als gevolg van geleverde hernieuwbare energie in de zeevaartsector zelf, en door niet leveringen ervan in andere vervoerssectoren.
- De brandstoftransitieverplichting wordt uitgedrukt in Emissie Reductie Eenheden (ERE’s). 1 ERE staat voor 1 kg CO2-eq ketenemissiereductie.
- Om het gebruik van bepaalde grondstoffen voor biobrandstoffen of om bepaalde vormen van hernieuwbare energie te bevorderen en anderen juist te ontmoedigen, gelden er subdoelen en limieten. Afhankelijk van de grondstof die gebruikt is voor de geleverde biobrandstof of de soort hernieuwbare energie die is geleverd, ontstaan er diverse ERE-soorten die van toepassing zijn op de limieten en subdoelen (zie ook deze webpagina). Daarnaast zijn er ook ERE-soorten waarvoor geen subdoelen of limieten gelden.
Voor de brandstoftransitieverplichting sector zeevaart gelden de volgende doelen, subdoelen en limieten.
|
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 | |
|
Totaal |
2,9% |
4,8% |
5,9% |
7,1% |
8,2% |
|
Waarvan uit andere sectoren dan zeevaart: | |||||
|
max. 0,9% |
max. 1,5% |
max. 1,8% |
max. 2,2% |
max. 2,5% | |
|
ERE-Conventioneel (biobrandstof uit voedsel- en voedergewassen) |
Inzet ERE-Conventioneel niet toegestaan in deze sector | ||||
|
ERE-Bijlage IX-B |
Inzet ERE-IX-B niet toegestaan in deze sector | ||||
|
ERE-Geavanceerd |
Geen minimale/maximale inzet ERE-Geavanceerd | ||||
|
ERE-RFNBO* |
- |
Min. 0,02% |
Min. 0,08% |
Min. 0,16% |
Min. 0,32% |
|
Geen minimale/maximale inzet RARE voor RFNBO subdoel Inzet ERE-R uit andere sectoren is niet toegestaan | |||||
|
ERE-Elektriciteit |
Geen minimale/maximale inzet ERE-Elektriciteit sector zeevaart Inzet ERE-Elektriciteit uit andere sectoren is niet toegestaan | ||||
|
ERE-Overig |
Geen minimale/maximale inzet ERE-Overig | ||||
De brandstofleverancier moet het volume geleverde brandstoffen waarvoor een BDN is opgesteld registreren in het REV om het benodigd aantal ERE’s te weten. Deze registratie moet gebeuren per brandstofsoort. Voor het berekenen van de te behalen emissiereductie wordt o.a. gerekend met een emissiefactor en met een verbrandingswaarde van de brandstof:
- De emissiefactor is een standaardwaarde die geldt voor alle soorten fossiele brandstoffen.
- De verbrandingswaarde van een brandstof moet vastgesteld worden door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium waarvoor door de brandstofleverancier zelf moet zorgen. De enige uitzondering geldt voor een diesel, daarvoor geldt wel een standaard verbrandingswaarde.
Rekenvoorbeeld 2027 situatie
ERE-C = ERE Conventioneel
ERE-IX-b = ERE biobrandstoffen uit afvaloliën en -vetten
ERE-H = ERE Hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
Bovenstaande uitkomst in kolom 7 laat zien dat de brandstofleverancier in totaal 622.656 ERE’s nodig heeft.
- Daarvan moet hij minimaal 2.594 ERE Hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong of RARE's inzetten.
- Voor de resterende 620.062 ERE mag de brandstofleverancier ERE-RFNBO, ERE-Geavanceerd, ERE-Elektriciteit en ERE-Overig inzetten mits deze uit de sector zeevaart komen.
- De brandstofleverancier mag voor het invullen van de 620.062 maximaal 194.580 ERE-Geavanceerd, ERE-Overig en ERE-REFNBO inzetten die afkomstig zijn uit andere sectoren.
Bedrijven met een brandstoftransitieverplichting moeten elk jaar vóór 1 maart hun brandstofleveringen van het voorgaande kalenderjaar opvoeren in het Register Energie Vervoer (REV). Daarvoor hebben zij een rekening in het REV nodig, die ze bij de NEa kunnen aanvragen. Op basis van de opgegeven brandstofvolumes berekent het REV de verplichte emissiereductie uitgedrukt in ERE’s (met onderverdeling naar soorten).
Een onafhankelijke verificateur moet controleren of de opgegeven brandstofvolumes correct en volledig zijn. De verificatie vindt plaats op kosten van de verplichtinghouder. De verplichtinghouder moet zelf een verificateur benaderen en contracteren. Het is verstandig om dit ruim van tevoren te doen/hier op tijd mee te beginnen. De resultaten van deze verificatie moeten vóór 1 mei door de verificateur in het REV zijn geregistreerd. Zodra duidelijk is welke verificateurs geaccrediteerd zijn om deze diensten uit te mogen voeren, zal de NEa hierover communiceren.
De NEa zal over het aanvragen van rekening voor het REV op een later moment contact opnemen met de bedrijven waarvan zij vermoedt dat die een brandstoftransitieverplichting hebben.
Jaarlijks moet het bedrijf met de verplichting vóór 1 april het vereiste aantal ERE’s op rekening in het NEa register hebben staan. De hoeveelheid ERE’s op rekening vertegenwoordigd dus de behaalde emissiereductie van het bedrijf.
Op 1 april van elk jaar wordt het aantal ERE’s ter grootte van de verplichting afgeschreven van de rekening. Het bedrijf gaat het nieuwe nalevingsjaar dus in met een lege rekening (op een klein deel na dat gespaard mag worden) en moet er in het nieuwe jaar weer voor zorgen om op tijd voldoende ERE’s op rekening te hebben staan.
De NEa houdt toezicht op het naleven van de brandstoftransitieverplichting. Indien de NEa constateert dat er onvoldoende ERE’s op rekening staan, of als de brandstofleveringen niet (volledig) of incorrect zijn opgevoerd, dan kan de NEa handhavend optreden.
Hoe kom ik als brandstofleverancier aan ERE’s?
ERE's ontstaan als bedrijven hernieuwbare energie leveren en (kenmerken van) deze leveringen registreren in het REV. Dit heet inboeken. Een bedrijf dat inboekt heet een inboeker.
Bedrijven met een verplichting kunnen ervoor kiezen om zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken en zo ERE's te verkrijgen, of om ERE’s te kopen van bedrijven die een ERE-overschot hebben. Een combinatie van beiden kan ook. De systematiek van de brandstoftransitieverplichting is dus een handelssysteem, en geen bijmengverplichting per bedrijf.
Inboeken
De volgende vormen van geleverde hernieuwbare energie geleverd aan vervoer kunnen ingeboekt worden:
- vloeibare en gasvormige biobrandstoffen;
- elektriciteit;
- vloeibare hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO’s / “E-fuels”) en waterstof.
Deze vormen van hernieuwbare energie kunnen aan diverse vervoersmiddelen geleverd worden. ERE’s kunnen dus in diverse sectoren gecreëerd worden. Maar een bedrijf met een brandstoftransitieverplichting voor zijn brandstofleveringen aan de binnenvaart, mag slechts in beperkte mate ERE’s inzetten die gecreëerd zijn door leveringen van hernieuwbare energie in een andere sector (zie ook de tabel bij 'Nadere uitleg brandstoftransitieverplichting' hierboven).
Om leveringen hernieuwbare energie in te kunnen boeken voor ERE’s, gelden er randvoorwaarden. Deze zijn er o.a. om te borgen dat de hernieuwbare energie daadwerkelijk geleverd is aan vervoer in Nederland en dat deze daadwerkelijk duurzaam/hernieuwbaar van aard was. Deze randvoorwaarden (inboekeisen) gaan gepaard met bepaalde kosten en administratieve lasten, die per energiedrager kunnen verschillen. Bij het maken van de afweging om ERE’s te verkrijgen door zelf in te boeken of door ERE’s te kopen van andere bedrijven, moet met deze administratieve lasten rekening worden gehouden.
|
Voorbeelden van kosten en administratieve lasten bij levering van vloeibare biobrandstoffen (niet uitputtend en hoeven niet altijd voor te komen)
|
Bij de afweging voor een bedrijf om in te boeken, moet het ook rekening houden met het NEa toezicht op de naleving van de inboekeisen. De NEa heeft namelijk de mogelijkheid om handhavend op te treden indien de inboeker niet aan de inboekeisen voldoet. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar niet vrijblijvende activiteit is en dat niet-naleving (financiële) consequenties kan hebben.
In de systematiek met ERE’s wordt er niet meer gewerkt met dubbeltelling of sectorspecifieke rekenfactoren. Wel geldt een rekenfactor voor biobrandstoffen die vervaardigd zijn van dierlijk vet categorie 3. Deze factor bedraagt 0,5 waardoor de ‘ERE-opbrengst’ gehalveerd wordt.
Het bovenstaande rekenvoorbeeld ('Nadere uitleg brandstoftransitieverplichting' hierboven) laat zien dat er voor een levering van 2 miljoen liter diesel en 2 miljoen kilogram stookolie in 2027 een verplichting ter grootte van 622.656 ERE geldt.
Stel dat voorbeeld de geleverde 2 miljoen liter gasolie 7% FAME bevatte die gemaakt is van de grondstof POME (Palm Oil Mill Effluent). Voor een brandstof gemaakt van deze grondstof geeft de RED géén standaardemissiefactor. Dit betekent dat de ketenemissies van deze brandstof bepaald moeten worden. De verschillende schakels in de duurzaamheidsketen moeten hiervoor zorgen. In dit voorbeeld is een waarde van 16 aangenomen.
Om het aantal ERE's te bepalen wordt de emissiefactor van FAME uit POME vergeleken met de vergelijkingswaarde voor fossiele brandstoffen die ook gebruikt is om de hoogte van de verplichting te bepalen (kolom 5). De tabel hieronder geeft aan hoeveel ERE's de 7% bijgemengde FAME oplevert.
Een levering van 7% FAME uit POME, waarbij de standaardemissiefactor wordt gehanteerd, levert dus meer dan de helft van het benodigde aantal ERE’s op van de brandstoftransitieverplichting van 2027. Als er nog eens 7% van deze biobrandstof in de stookolie zou zijn bijgemengd, was dit voldoende geweest voor het behalen van de verplichting. Let wel, dit is onder de aanname van de waarde voor de emissiefactor. Ook moet er rekening worden gehouden met de subdoelstelling voor ERE’s uit RFNBO’s. Daar moet het bedrijf dus óf aparte leveringen en inboekingen van doen, óf deze ERE’s (of RARES) kopen van een ander bedrijf.
Om te weten hoeveel biobrandstof er moet worden bijgemengd om de verplichting te behalen, is het dus belangrijk om te weten wat de emissiefactor van die biobrandstof is. De RED geeft in bijlage V standaardwaarden voor slechts enkele biobrandstof-grondstofcombinaties die in aanmerking komen om ingezet te worden. Brandstofleveranciers die willen inboeken moeten dus goede afspraken met hun leveranciers maken om er voor te zorgen dat ze voldoende ERE’s kunnen creëren. Zie ook deze webpagina.
Kopen van ERE’s
Een bedrijf met een verplichting kan er voor kiezen ERE’s (deels) te kopen van andere bedrijven, in plaats van zelf ERE’s te creëren door hernieuwbare energie te leveren en in te boeken.
Bedrijven moeten zelf onderlinge afspraken maken over het verhandelen van ERE’s, ook over de prijzen ervan. De NEa heeft hier geen rol in. Binnen het REV kunnen bedrijven wel ERE’s naar elkaars rekening overboeken, maar de financiële afhandeling gaat buiten het REV om.
Om te weten welke bedrijven mogelijk ERE’s vragen of aanbieden, kan de NEa lijst met rekeninghouders geraadpleegd worden. Deze zal regelmatig ge-update worden. Daarnaast hebben brokers of handelaren zicht op de huidige markt. Enkelen daarvan zijn genoemd op deze webpagina.
Inboeken vloeibare biobrandstoffen
De basis vereisten voor het inboeken van leveringen van vloeibare biobrandstoffen zijn:
- De inboeker moet leveren aan de Nederlandse markt.
- Het moet daarbij gaan om fysieke biobrandstoffen.
- De inboeker moet bewijzen dat de geleverde biobrandstoffen duurzaam zijn.
Met leveren aan de Nederlandse mark wordt uitslag tot verbruik bedoeld. Dit betekent dat de inboeker de levering van de biobrandstof aan de afnemer (het zeeschip) moet uitslaan tot verbruik.
In afwijking hierop is het in één bijzonder geval ook mogelijk dat de inboeker een levering onder schorsing van betaling van accijns (aan een ander AGP) kan inboeken. Dit is het geval als de inboeker een bunkerdienstverlener inschakelt. De inboeker bevoorraad dan het leurschip van een andere AGP-vergunninghouder, die op zijn beurt de biobrandstof aan het zeeschip van de klant van de inboeker levert (voor de aandrijving en scheepsbehoeften). De bunkerdienstverlener moet bij de levering aan het zeeschip van de klant van de inboeker uitslaan tot verbruik. Op deze webpagina staat een nadere uitleg over de mogelijkheid om in te boeken via een bunkerdienstverlener.
Of een brandstof wordt uitgeslagen tot verbruik, hangt af van de douanestatus van de brandstof en de gehanteerde bunkerprocedure:
- de brandstof moet een Uniegoed (T2 status) zijn;
- de zeevaartbunkerprocedure leidt in ieder geval niet tot uitslag tot verbruik, de vereenvoudigde bunkerprocedure kan leiden tot uitslag tot verbruik.
Voor zowel de route waarbij de inboeker uitslaat tot verbruik, als bij het inschakelen van de bunkerdienstverlener geldt dat de geleverde brandstof door de klant van de inboeker moet worden gebruikt voor de aandrijving van het zeeschip en/of voor de scheepsbehoeften aan boord.
Alleen vloeibare biobrandstoffen die fysiek aan de Nederlandse markt zijn geleverd mogen ingeboekt worden. Dat er daadwerkelijk sprake is van een fysieke hoeveelheid geleverde biobrandstof, moet de inboeker aantonen door middel van monstername en analyse.
Een bewijs van duurzaamheid is geen geldige manier om aan te tonen dat er biobrandstof aanwezig was in een levering. Voor bepaalde brandstoffen moet de analyse met de C14 methode gebeuren. Daar geldt een kader voor.
Een monstername en analyse vindt plaats op de brandstof die de toeleverancier aan de inboeker levert, of op de brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt levert. De monstername en de analyse moeten betrekking hebben op de ingeboekte brandstof die de inboeker aan de Nederlandse markt geleverd heeft.
De vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt, moet duurzaam zijn en geleverd zijn vanaf een fysieke locatie waar de inboeker de massabalans van biobrandstoffen over beheert.
Deze locatie moet de laatste locatie vóór levering aan de Nederlandse markt zijn en een AGP-locatie of een belastingentrepot betreffen. De inboeker moet voor deze locatie gecertificeerd zijn door een erkend duurzaamheidssysteem.
Het voeren van een massabalans betekent het bijhouden van een boekhouding die een getrouwe weergave geeft van de in- en uitgaande stromen en voorraad van duurzame biobrandstoffen.Wil de inboeker de massabalans over de biobrandstoffen op deze laatste locatie voeren, dan moet hij voor die locatie gecertificeerd zijn als 'trader with storage' en bovendien eigenaar zijn van de biobrandstoffen op die laatste opslaglocatie.
Een transportmiddel, zoals een leurschip, wordt niet als locatie beschouwd en kan niet gecertificeerd worden.
Let op!
Bovenstaande betekent dus dat niet alle leveringen waarop een brandstoftransitieverplichting rust in aanmerking komen om duurzame biobrandstof in bij te mengen en in te boeken. Alleen biobrandstoffen die worden uitgeslagen tot verbruik door AGP-vergunninghouders komen voor inboeken in aanmerking.
In de basis veranderen de inboekeisen voor biobrandstofleveringen aan de zeevaart ten opzichte van de huidige regelgeving niet. De uitleg van de huidige inboekeisen op deze pagina zullen daarom ook in 2026 gelden. De enige significante wijziging van de inboekeisen is dat naast ‘geavanceerde’ biobrandstoffen (ERE-G) ook ‘overige’ biobrandstoffen (ERE-O) in aanmerking komen voor inboeken.
Wat moet ik nu doen?
Op dit moment adviseert de NEa u zich vooral te verdiepen in de volgende vragen / onderwerpen:
Hopelijk heeft deze webpagina u op weg geholpen. Maar als het u nog steeds niet duidelijk is of u een verplichting heeft, neemt u dan vooral contact op met de NEa Helpdesk.
Stel u vragen zo concreet mogelijk. Geef aan bijvoorbeeld aan of u een AGP-vergunning heeft, of accijnsaangifte doet, wat voor brandstoffen aan welke bestemmingen u levert, waarom u twijfelt of de verplichting op u van toepassing is etc.
U kunt dit berekenen met de rekentool van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
In de basis veranderen de inboekeisen voor biobrandstofleveringen aan de zeevaart ten opzichte van de huidige regelgeving niet. Daarom kunt u de uitleg op deze pagina raadplegen om wegwijs te worden.
De NEa kan u helaas niet verder helpen bij dit vraagstuk.
Wellicht kunt u aan bijvoorbeeld brandstofleveranciers die al actief zijn in de huidige HBE-systematiek vragen wat er allemaal komt kijken bij het inboeken of het kopen /verhandelen van HBE's. Of benader uw brancheorganisatie met deze vragen.
Wat kunt u de komende tijd van de NEa verwachten?
- RED3 scheepvaart spreekuur
Vanaf woensdag 7 januari t/m woensdag 25 februari is iedere woensdag van 14:00-15:00 uur een spreekuur over RED3 Scheepvaart. Dit spreekuur is voor bedrijven die per 2026 een brandstoftransitieverplichting zeevaart en/of binnenvaart krijgen en bedrijven die leveringen vloeibare biobrandstoffen aan zeevaart en/of binnenvaart willen inboeken. U kunt tijdens dit spreekuur aan NEa adviseurs in 15 minuten uw vragen stellen over de verplichting en het inboeken van vloeibare biobrandstoffen. Inschrijven is mogelijk via de knop hieronder:
- Informatiebijeenkomst RED3 scheepvaart
Op 30 oktober 2025 organiseerde de NEa een informatiebijeenkomst voor brandstofleveranciers aan de zee- en binnenvaart. Tijdens deze bijeenkomst werd aandacht besteed aan de nieuwe verplichtingen voor brandstofleveranciers aan de zee- en binnenvaart, en het inboeken van leveringen vloeibare biobrandstoffen aan deze sectoren. Bekijk de presentaties en opnamen van dit event terug via: Informatiebijeenkomst RED3 scheepvaart terugzien - Informatiebijeenkomst RED3 vervoer
Op 23 juni organiseerde de NEa de informatiebijeenkomst RED3 vervoer.
Bekijk de presentaties en opnamen van dit event terug via: Informatiebijeenkomst RED3 vervoer terugzien
Aanvragen rekening
Bedrijven die vanaf 2026 nieuw zijn in de systematiek van de brandstoftransitieverplichting vanwege hun brandstofleveringen aan de zee- en binnenvaart, hebben een rekening in het REV nodig en moeten deze aanvragen bij de NEa:
Aanvragen rekening voor verplichtinghouders
- Het hebben van een rekening is een vereiste voor bedrijven met een verplichting. Deze bedrijven hebben een rekening met verplichtingfaciliteit nodig om aan hun verplichting te kunnen voldoen.
- Voor bedrijven die in 2025 al een jaarverplichting hadden (voor de sector land), wordt hun rekening in het register automatisch uitgebreid met de sectoren zeevaart en binnenvaart. Deze bedrijven hoeven dus geen rekeningaanvraag in te dienen.
- Voor het openen van een rekening neemt de NEa medio 2026 contact op met de bedrijven die in 2025 nog geen jaarverplichting hadden, maar vanaf 2026 wel een brandstoftransitieverplichting krijgen over hun brandstofleveringen aan de zee- en/of binnenvaart.
- Indien uw bedrijf verwacht een verplichting zeevaart en/of binnenvaart te krijgen, en u al direct na de opening van het register in juni 2026 toegang wilt tot uw rekening, kunt u hiervoor een aanvraag doen via de knop hieronder:
Aanvragen rekening voor inboeken
- Bedrijven die van plan zijn om in 2026 voor het eerst hernieuwbare energie te leveren aan de zeevaart en/of binnenvaart en deze in te boeken om ERE’s te creëren, hebben een rekening met een inboekfaciliteit nodig.
- Voordat de NEa overgaat tot het openen van een rekening met een inboekfaciliteit, houdt de NEa altijd eerst een introductiegesprek met de potentiële inboeker. Tijdens dit gesprek informeert de NEa het bedrijf over de inboekvoorwaarden en worden aandachtspunten besproken.
- Indien u concrete plannen heeft voor het leveren van vloeibare biobrandstoffen aan de zeevaart en/of binnenvaart in het eerste kwartaal van 2026, en u deze leveringen wenst in te boeken om ERE’s te creëren, kunt u hiervoor nu al een rekeningaanvraag indienen via de knop hieronder:
De NEa neemt dan na de aanvraag contact met u op voor het inplannen van een introductiegesprek.
- Indien u plannen heeft voor het leveren (en inboeken) van vloeibare biobrandstoffen aan de zeevaart en/of binnenvaart vanaf of na april 2026, kunt u contact opnemen met de NEa Helpdesk, waarna ook een introductiegesprek ingepland zal worden.
- Bedrijven die zich eerst oriënteren op de inboekeisen en daar vragen over hebben, kunnen contact opnemen met de NEa Helpdesk of zich inschrijven voor het RED3 scheepvaart spreekuur. Een inboekfaciliteit kan op een later moment alsnog worden aangevraagd, waarna ook dan een introductiegesprek volgt.