Op deze pagina leest u hoe ingebedde emissies van CBAM-goederen op basis van werkelijke gegevens worden vastgesteld, gerapporteerd en geverifieerd voor de CBAM-aangifte.
De toegelaten CBAM-aangever rapporteert in de CBAM-aangifte over de CO2 die is uitgestoten bij de productie van ingevoerde goederen. Dit noemen we de ingebedde emissies van CBAM-goederen.
Kiest de CBAM-aangever voor werkelijke gegevens, dan baseert hij zich op een geverifieerd emissieverslag van de exploitant van de productie-installatie. De regels voor de berekening van ingebedde emissies staan in de Verordening (EU) 2023/956 en de bijbehorende uitvoeringsverordening (EU) 2025/2547.
Belangrijke begrippen
- Directe emissies: emissies die vrijkomen bij de productieprocessen van goederen, inclusief emissies uit de productie van verwarming en koeling die tijdens de productieprocessen worden verbruikt, ongeacht de plaats waar de verwarming of koeling wordt geproduceerd.
- Indirecte emissies: emissies die vrijkomen bij de opwekking van elektriciteit die nodig is voor de productieprocessen van goederen.
- Specifiek ingebedde emissies: ingebedde emissies uitgedrukt in ton CO2 per ton goederen.
- Productieprocessen: de chemische en fysische processen die plaatsvinden om CBAM-goederen in een installatie te produceren.
- Systeemgrens: de groep chemische of fysische processen die is opgenomen in de berekening van ingebedde emissies van CBAM-goederen.
- Installatie: een vaste technische eenheid waarin een productieproces plaatsvindt.
- Exploitant van een installatie: een persoon die een installatie exploiteert of beheert in een derde land, met inbegrip van een moederonderneming die een installatie beheert in een derde land.
- Precursor: inputmateriaal voor een productieproces dat op de lijst van CBAM-goederen staat
Directe en indirecte emissies
Voor de CBAM-goederen gietijzer, ijzer en staal, aluminium en waterstof én hun precursoren moeten alleen de directe emissies in de CBAM-aangifte staan.
Voor de CBAM-goederen cement, meststoffen en hun precursoren moeten de directe en de indirecte emissies van de productie ervan worden aangegeven.
Hoe komen de emissiegegevens tot stand?
Bij gebruik van werkelijke emissies levert de exploitant van de productie-installatie de emissiegegevens aan. De exploitant levert deze gegevens aan via een samenvatting van het emissieverslag per kalenderjaar (beknopte emissieverslag). Dit verslag volgt het model uit bijlage IV van de verordening en bevat voorgeschreven gegevenselementen. Een overzicht van deze elementen staat samengevat in het beknopte emissieverslag.
De exploitant stelt een monitoringsplan op waarin hij beschrijft hoe hij de gegevens bepaalt. Na afloop van een kalenderjaar stelt de exploitant op basis van het monitoringsplan een volledig emissieverslag op en laat dit verifiëren door een geaccrediteerd verificateur. Ook het volledige emissieverslag volgt een vastgesteld model. Het volledige verslag bevat detailinformatie voor verificatie. De CBAM-aangever gebruikt het beknopte emissieverslag voor de aangifte.
De toegelaten CBAM-aangever zorgt ervoor dat de exploitant op tijd een beknopt emissieverslag opstelt en een verificatieverslag beschikbaar maakt.
Registratie van exploitanten in het CBAM-register
Exploitanten van installaties in derde landen kunnen zich registreren in het CBAM-register via de Europese Commissie. Na registratie plaatsen zij hun emissieverslagen en verificatieverslagen in het register. De CBAM-aangever in de EU kan deze emissiegegevens vervolgens rechtstreeks overnemen in de CBAM-aangifte.
Op de website van de Europese Commissie staat informatie over de registratieprocedure.
Registreert de exploitant zich niet in het CBAM-register, dan neemt de CBAM-aangever de gegevens over uit het ontvangen emissieverslag en verificatieverslag. Welke aanvullende informatie dan bij de CBAM-aangifte moet worden gevoegd, volgt nog in nadere regels.
Verslagperiode
Het emissieverslag van de exploitant heeft altijd betrekking op een kalenderjaar.De exploitant stelt per kalenderjaar een emissieverslag op. Ingebedde emissies kunnen namelijk per jaar verschillen, bijvoorbeeld door wijzigingen in brandstoffen of grondstoffen.
De CBAM-aangever bepaalt uit welke verslagperiode de gegevens worden overgenomen in de CBAM-aangifte. Zijn de ingevoerde CBAM-goederen in verschillende jaren geproduceerd, dan kan de aangifte gegevens uit meerdere verslagperioden bevatten.
Uitgangspunt: de verslagperiode is gelijk aan het kalenderjaar van invoer. Beschikt de CBAM-aangever over voldoende bewijs van het werkelijke productiejaar, dan kan een andere verslagperiode worden gebruikt.
Voor CBAM-goederen die in 2026 worden ingevoerd geldt ook altijd verslagperiode 2026. Voor goederen die na 2026 worden ingevoerd kan een verslagperiode een ander kalenderjaar zijn dan het jaar van invoer. Maar de verslagperiode kan in dat geval nooit voor 2026 liggen.
- Een CBAM-aangever importeert in 2026 CBAM-goederen die in 2025 of daarvoor geproduceerd zijn. In de CBAM-aangifte moet de verslagperiode 2026 worden gebruikt
- Een CBAM-aangever importeert in 2028 CBAM-goederen, de aangever heeft geen informatie over het tijdstip van productie. In de CBAM-aangifte moet de verslagperiode 2028 worden gebruikt.
- Een CBAM-aangever importeert in 2029 CBAM-goederen. De CBAM-aangever kan bewijs aanleveren waaruit onomstotelijk blijkt dat de goederen in 2027 zijn geproduceerd. De CBAM-aangever mag het standaardverslagjaar 2029 gebruiken, maar mag ook voor 2027 kiezen en bewijs voor dat productiejaar aanleveren.
Welke emissies tellen mee in de berekening?
Eenvoudige en samengestelde goederen
De CBAM-verordening onderscheidt eenvoudige goederen en samengestelde goederen bij de vaststelling van ingebedde emissies.
- Eenvoudige goederen bevatten alleen inputmaterialen die geen CBAM-goederen zijn. De ingebedde emissies zijn in dit geval vaak afkomstig van één productie-installatie.
- Samengestelde goederen bevatten inputmaterialen (precursoren) die zelf ook CBAM-goederen zijn. De ingebedde emissies van inputmaterialen (precursoren) tellen mee bij de ingebedde emissies van de ingevoerde CBAM-goederen. Het maakt daarbij geen verschil of de precursoren in dezelfde installatie zijn geproduceerd of zijn ingekocht.
In het emissieverslag van een samengesteld goed wordt de totale specifiek ingebedde emissie van dat goed gerapporteerd, inclusief de precursoren.
De exploitant moet in het emissieverslag dus ook de emissies meerekenen van de grondstoffen (precursoren) die onder CBAM vallen. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om (geverifieerde) gegevens te verzamelen van zijn toeleveranciers. De exploitant moet zich daarbij baseren op een geverifieerd verslag van de toeleverancier dat aan dezelfde eisen voldoet.
Systeemgrenzen
De systeemgrens bepaalt welke emissies in een installatie meetellen bij de berekening van ingebedde emissies.
Elk CBAM-goed is ingedeeld in een geaggregeerde goederen categorie (bijlage I, tabel 1 van de verordening). Per categorie beschrijft bijlage I, hoofdstuk 3 welke productieprocessen onder de CBAM-rapportage vallen.
In een installatie worden goederen geproduceerd onder GN-code 7213 - walsdraad van ijzer of van niet-gelegeerd staal. Deze goederen vallen onder de geaggregeerde goederen categorie ijzer of staalproducten.
De systeemgrenzen voor ijzer of staalproducten zijn als volgt gedefinieerd: alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit de verbranding van brandstoffen en procesemissies ten gevolge van rookgasreiniging, met inbegrip van opnieuw verwarmen, hersmelten, gieten, warmwalsen, koudwalsen, smeden, nawalsen, coaten, galvaniseren, draadtrekken en beitsen, en met uitzondering van de volgende processen: plateren, snijden, lassen en afwerken van ijzer- of staalproducten.
De exploitant bepaalt de emissies van alle processen binnen deze systeemgrens en neemt deze op in zijn emissieverslag.
Samengesteld goed
Walsdraad geldt als samengesteld goed wanneer het wordt geproduceerd uit bijvoorbeeld GN-code 7206 (ijzer en niet-gelegeerd staal). Deze grondstof valt ook onder CBAM. De exploitant rekent daarom ook de emissies van deze precursor mee in de ingebedde emissies van het walsdraad.
Daarvoor gebruikt de exploitant het geverifieerde emissieverslag van de installatie die deze grondstoffen aanlevert. De exploitant van deze installatie rapporteert de ingebedde emissies volgens de systeemgrenzen van de geaggregeerde goederencategorie “ruwstaal”:
Binnen de systeemgrens vallen alle noodzakelijke activiteiten en eenheden voor het verkrijgen van ruwstaal:
- als het proces uitgaat van vloeibaar ruwijzer, vallen de basiszuurstofomzetter, vacuümontgassing, secundaire metallurgie, argonzuurstofontkoling/ vacuümzuurstofontkoling, continugieten of blokgieten, waar relevant warmwalsen of smeden, en alle noodzakelijke hulpwerkzaamheden zoals overslaan, opnieuw verwarmen en rookgasreiniging binnen de systeemgrens;
- als bij het proces gebruik wordt gemaakt van een vlamboogoven, vallen alle relevante activiteiten en eenheden, zoals de vlamboogoven zelf, secundaire metallurgie, vacuümontgassing, argonzuurstof ontkoling/vacuümzuurstofontkoling, continugieten of blokgieten, waar relevant warmwalsen of smeden, en alle noodzakelijke hulpwerkzaamheden zoals overslaan, verwarmen van grondstoffen en apparaten, opnieuw verwarmen en rookgasreiniging, binnen de systeemgrens;
- alleen primair warmwalsen en voorbewerken door middel van smeden om de halffabricaten van de GN-codes 7207, 7218 en 7224 te verkrijgen, vallen onder deze geaggregeerde categorie goederen; alle overige wals- en smeedprocessen vallen onder de geaggregeerde categorie goederen “ijzer- of staalproducten”.
De CBAM-aangever gebruikt voor de CBAM-aangifte alleen het beknopte emissieverslag van de producent van het walsdraad, omdat de daarin opgenomen specifiek ingebedde emissie per ton walsdraad al de emissies van het productieproces en de emissies van de gebruikte grondstoffen omvat.
Welke regels gelden voor het emissieverslag?
Regels voor het emissieverslag van de exploitant
De regels voor het vaststellen van emissies zijn technisch en uitgebreid. Specialistische kennis van productieprocessen en emissiemonitoring is daarbij vereist. De verantwoordelijkheid voor de juiste toepassing ligt bij de exploitant van de installatie.
De CBAM-aangever past deze regels dus niet zelf toe. De aangever baseert zich op het door de exploitant opgestelde emissieverslag en de verificatieverklaring. De verantwoordelijkheid voor een juiste en volledige CBAM-aangifte blijft wel bij de CBAM-aangever.
De Europese Commissie informeert exploitanten in derde landen over de verplichtingen die uit de verordening voortvloeien. De exploitanten moeten deze regels vervolgens juist toepassen om zeker te stellen dat het emissieverslag positief geverifieerd kan worden.
De verordening voor de berekening van ingebedde emissies bevat gedetailleerde voorschriften voor de wijze waarop de exploitant de specifieke ingebedde emissies van CBAM-goederen vaststelt. De verordening bepaalt ook hoe productieprocessen moeten worden geïdentificeerd en ingedeeld naar de verschillende CBAM-goederen. Daarnaast gelden speciale voorwaarden voor het vaststellen van de emissies van elektriciteit met standaardwaarden of werkelijke waarden.
Specifieke ingebedde emissies worden berekend met de emissies van het productieproces en met de hoeveelheid geproduceerde goederen. Voor samengestelde goederen worden de ingebedde emissies van de precursoren meegerekend.
Bijlagen bij de verordening
De bijlagen bij de verordening bevatten de technische regels voor de monitoring en berekening van ingebedde emissies op installatieniveau.
Deze bijlage bevat de kernbegrippen uit de verordening, zoals onzekerheid, emissiefactoren en verbrandingsemissies. Ook worden de functionele eenheid (in welke eenheid de productie wordt gemeten) en de systeemgrenzen vastgelegd voor elke geaggregeerde goederencategorie. De systeemgrenzen bepalen welke processen en emissies moeten worden meegenomen bij de berekening van ingebedde emissies. Deze bijlage vormt het conceptuele fundament voor alle verdere berekeningen en monitoring.
Deze bijlage beschrijft de algemene beginselen, hoe exploitanten productieprocessen identificeren, directe emissies monitoren, warmtestromen registreren en elektriciteitsverbruik volgen om ingebedde emissies te bepalen. In de bijlage zijn ook de sectorspecifiek voorwaarden opgenomen, bijvoorbeeld hoe de emissies moeten worden berekend bij de productie van cementklinker. Daarnaast is beschreven hoe de emissies van precursoren moeten worden verrekend en hoe de productie (activiteitsniveau) moet worden bepaald.
De exploitant stelt een monitoringsplan op in het Engels. Dit plan bevat:
- een beschrijving van de installatie, processen en goederen;
- methodes van gegevensverzameling;
- meetinstrumenten en bemonsteringsplannen;
- procedures voor gegevenscontrole en archivering.
Het monitoringsplan is voor de verificateur de basis om na te gaan of emissies op een juiste wijze zijn bepaald.
Deze bijlage legt vast hoe emissies worden toegekend aan productieprocessen en producten. Wanneer er in een installatie verschillende CBAM-goederen worden geproduceerd moeten de emissies worden toegekend aan een CBAM-goed. Dit is nodig om de specifieke ingebedde emissie per CBAM-goed te bepalen. In de bijlage is ook beschreven hoe omgegaan moet worden met de emissie van warmtekrachtinstallaties en afgassen in de staalindustrie. Tevens is aangegeven hoe gerapporteerd moet worden voor CBAM-goederen waarbij de ingebedde emissie afhankelijk is van de samenstelling (cementproducten en kunstmeststoffen).
Deze bijlage bevat het verplichte format voor het emissieverslag. Om verificatie van het emissieverslag en beoordeling van CBAM-aangiften mogelijk te maken, moet het emissieverslag verplicht bepaalde gegevens bevatten. Dit zijn onder andere: Identificatiegegevens van exploitant en installatie, een samenvatting van het monitoringplan, informatie over productieprocessen, gebruikte brandstoffen en materialen en emissiegegevens.