Een aanzienlijk deel van de CO2-uitstoot door Nederland en andere Europese landen is afkomstig van de sector vervoer. De Nederlandse overheid, de Europese Commissie (EC) en de andere EU-lidstaten hebben doelen gesteld om deze uitstoot verminderen. Dat kan onder meer door het aandeel hernieuwbare energie (zoals biobrandstoffen) in vervoer te vergroten. Dat leidt tot minder verbruik van fossiele brandstoffen en een lagere CO2-uitstoot.
Let op! Informatie op deze pagina is alleen relevant voor de ERE-systematiek. Klik op onderstaande knop om naar de HBE-systematiek te gaan.
Doelstelling hernieuwbare energie voor vervoer
De doelstelling voor het verminderen van uitstoot van broeikasgassen door vervoer zijn vastgelegd in Europese wet- en regelgeving. Het gaat om de Europese richtlijn voor Hernieuwbare Energie (Renewable Energy Directive III, RED3).
Deze is in Nederlandse wet- en regelgeving voor Hernieuwbare Energie voor Vervoer omgezet en aangevuld met nationale afspraken. Hierin is de brandstoftransitieverplichting (BTV) voor vervoer vastgelegd. De BTV verplicht brandstofleveranciers om bij te dragen aan de verduurzaming van transport en het verminderen van CO2-uitstoot uit vervoer in Nederland. Ieder jaar moeten brandstofleveranciers bij de NEa aantonen aan hun BTV te voldoen. Dat doen zij met emissiereductie-eenheden (ERE’s), die ze kunnen krijgen door zelf hernieuwbare energie aan vervoer te leveren, of door deze te kopen van andere bedrijven die hernieuwbare energie aan vervoer leveren.
Doel Nederland: in 2030 minstens 14,5 % minder uitstoot van broeikasgassen uit brandstoffen in de sector vervoer
Hernieuwbare energie is energie uit hernieuwbare bronnen zoals zon, wind, biomassa. Hernieuwbaar betekent: raakt niet op zoals fossiele bronnen wel opraken, etc.
Biobrandstoffen zijn gemaakt van hernieuwbare grondstoffen en/of hernieuwbare energie. De inzet van biobrandstoffen is een belangrijke manier om aan de doelstellingen voor hernieuwbare energie te voldoen. Voorwaarde om mee te tellen voor de doelstellingen is dat de ingezette biobrandstoffen echt duurzaam zijn. Daarom gelden er duurzaamheidseisen volgens de Richtlijn hernieuwbare energie.
Certificering is een belangrijke voorwaarde om aan te tonen of geleverde biobrandstoffen voldoet aan de duurzaamheidseisen. Bedrijven die biobrandstoffen leveren moeten gecertificeerd zijn door duurzaamheidssystemen (voluntary schemes), die erkend zijn door de Europese Commissie. Bekijk ook duurzaamheid biobrandstoffen voor meer informatie.
De Europese richtlijn voor Hernieuwbare Energie beschrijft de verplichtingen die lidstaten hebben om hun energievoorziening te verduurzamen. Eind 2023 is de laatste wijziging van de RED (REDIII of RED3) gepubliceerd, Richtlijn (EU) 2023/2413. Daarin zijn de doelstellingen en eisen van klimaatakkoorden, de Green Deal en ‘Fit for 55’ verwerkt.
De RED3 bevat ook eisen aan de uitvoering, onder andere om ongewenste neveneffecten te voorkomen. De RED geldt voor alle EU-lidstaten. De lidstaten hebben de ruimte gekregen om zelf een aanpak te kiezen waarmee zij aan deze verplichtingen gaan voldoen.
Onder RED3 kunnen de EU-lidstaten kiezen tussen twee doelen die zij in 2030 gerealiseerd moeten hebben. Keuze uit:
- minstens 14,5 % minder uitstoot van broeikasgassen uit brandstoffen in de sector vervoer. Het gaat om uitstoot in de hele keten van de brandstoffen: van bron tot en met verbranding. De referentie vormt de gemiddelde CO2-emissie van fossiele brandstoffen van 94 gram CO2-eq/MJ; of
- minstens 29 % van het energieverbruik in de sector vervoer bestaat uit hernieuwbare energie.
Nederland heeft gekozen voor doelstelling 1.
RED3 bevat ook (sub)doelstellingen voor de inzet van hernieuwbare waterstof en daarvan afgeleide brandstoffen (RFNBO’s) voor vervoer.
De Europese wijzigingsrichtlijn hernieuwbare energie (RED3) biedt lidstaten ruimte om de doelstellingen met nationaal beleid in te vullen. Daarbij geldt de eis ze
- voldoen aan de nationale doelstelling in 2030,
- voldoen aan de bindende streefcijfers voor brandstofleveranciers, en
- daarbij de in de richtlijn opgenomen berekeningsmethoden gebruiken.
Deze beleidsruimte uit de RED3 wordt in Nederland in vooral ingevuld door de afspraken uit het Klimaatakkoord, uit de voorjaarsnota van 2023, de Visie duurzame energiedragers in mobiliteit 2021 en het Nationaal plan energiesysteem in het kader van het Parijs-akkoord.
De doelstelling en werkwijze in Nederland voor het onderwerp Hernieuwbare Energie voor Vervoer is beschreven in:
1) Wet milieubeheer (Wm), paragraaf 9.7 en 9.8
2) Besluit energie vervoer (Bev)
3) Regeling energie vervoer (Rev)
Het hoofddoel van het nationale beleid rond hernieuwbare energie voor vervoer is het verminderen van de CO2-uitstoot door vervoer. Dat willen we bereiken door fossiele brandstof te vervangen door een vorm van hernieuwbare energie. Elke bedrijf dat in Nederlands brandstof levert aan vervoer moet daaraan meewerken. Dit wordt de brandstoftransitieverplichting (BTV) genoemd.
De Nederlandse overheid heeft ervoor gekozen om de BTV vorm te geven als marktinstrument. Andere EU-landen kunnen een andere vorm kiezen, bijvoorbeeld een bijmengverplichting.
Brandstoftransitieverplichting
Brandstofleveranciers aan de sector vervoer hebben de plicht om de emissies van broeikasgassen uit brandstoffen te verminderen. Dat kunnen zij doen door fossiele brandstoffen te vervangen door een vorm van hernieuwbare energie. Dit wordt de brandstoftransitieverplichting (BTV) genoemd.
Deze verplichting voor brandstofleveranciers geldt voor leveringen van brandstoffen aan de sectoren:
• land (wegvoertuigen, spoorvoertuigen, mobiele machines en vaste installaties);
• binnenvaart (binnenschepen); en
• zeevaart (zeeschepen).
De totale brandstoftransitieverplichting (BTV) is: minstens 14,5 % minder uitstoot van broeikasgassen uit brandstoffen in de sector vervoer in 2030. De BTV is niet voor alle sectoren even groot. De verplichting van iedere sector moet (grotendeels) binnen die sector zelf gerealiseerd worden.
De BTV kent een onderverdeling van de totale verplichting per jaar naar subdoelen en limieten. Deze zijn erop gericht om gebruik van bepaalde grondstoffen voor biobrandstoffen of bepaalde vormen van hernieuwbare energie te bevorderen en anderen juist te ontmoedigen.
De REDIII vereist ook inzet van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO’s). Deze hernieuwbare brandstoffen zijn geproduceerd met inzet van duurzame waterstof.
Deze doelstelling kan ook ingevuld worden met een indirecte inzet van RFNBO’s. Producenten zetten dan RFNBO’s in een raffinaderij in voor de productie van conventionele brandstoffen en biobrandstoffen.
De hoogte van de totale verplichting, de limieten en de subdoelen variëren per sector. De totale verplichting neemt ieder jaar toe. Zie ook de informatie over verplichtingen.
Marktmechanisme en ERE's
Binnen de brandstoftransitieverplichting staat een marktmechanisme met verhandelbare “Emissiereductie-eenheden" (ERE's) centraal.
De emissiereductie die brandstofleveranciers moeten behalen vanwege de brandstoftransitieverplichting wordt uitgedrukt in EmissieReductie-Eenheden (ERE's). 1 ERE staat voor 1 kg CO2eq-emissiereductie in de keten ten opzichte van een Europees vastgestelde fossiele referentiewaarde. Om aan de brandstoftransitieverplichting (BTV) te voldoen moet een brandstofleverancier elk jaar (vóór 1 april) voldoende ERE’s inleveren bij de NEa.
Als bedrijven hernieuwbare energie leveren aan vervoer, krijgen ze per kg behaalde CO2-(keten)emissiereductie 1 ERE op hun rekening in het NEa Register Energie Vervoer (REV). Brandstofleveranciers kunnen ERE's onderling verhandelen. Hierdoor kunnen zij kiezen of zij aan hun BTV voldoen door:
- zelf hernieuwbare brandstoffen of energie te leveren en in te boeken en zo zelf voldoende ERE's verkrijgen, of
- een ‘overprestatie’ aan ERE's van andere brandstofleveranciers te kopen om zo voldoende ERE's te verkrijgen, of
- een combinatie van optie 1 en 2
De Nederlandse overheid heeft hiermee een marktmechanisme ingericht voor bedrijven die een brandstoftransitieverplichting (BTV) hebben. Bedrijven met een BTV hebben zo vrijheid in de werkwijze waarop zij hun benodigde ERE’s verkrijgen. Ook bedrijven die geen BTV hebben kunnen meedoen op die markt. Denk bijvoorbeeld aan een leverancier van hernieuwbare energie of handelaren in ERE’s.
De NEa is marktmeester en ziet er op toe dat deelnemende bedrijven de wettelijke eisen naleven en faciliteert het marktmechanisme met het REV. De bedrijven maken echter zelf onderlinge afspraken over de handel in ERE’s. Bijvoorbeeld over de te verhandelen soorten ERE’s, en over de prijzen. Dit gebeurt buiten het REV om; de NEa heeft daarin geen rol.
Alleen bedrijven met een verplichting, inboekers en handelaren hebben een rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV). Bedrijven met een rekening in het REV kunnen ERE’s onderling overboeken.
De markt voor ERE’s is onderdeel van de Nederlandse implementatie van de Europese RED3. Andere landen hebben hun eigen wijze van implementatie. Daarom zijn ERE’s niet internationaal te verhandelen of in te zetten voor wet- en regelgeving in andere landen. Omgekeerd kunnen bedrijven ook geen eenheden uit vergelijkbare systemen in andere landen naar het REV overboeken.
Jaarafsluiting
De BTV is een jaarlijks terugkerende verplichting. Brandstofleveranciers en inboekers moeten elk jaar voor een bepaalde deadline hun leveringen registreren in het REV en voor 1 april ervoor zorgen dat ze voldoende ERE's (van de juiste soort) op rekening hebben staan.
| Datum | Actie |
| Vóór 1 maart |
|
| Vóór 1 april |
|
| 1 april |
|
| Vóór 1 mei |
|
Deze data gelden voor het eerst vanaf 2027 over de brandstofleveringen die in 2026 plaatsvonden.
Beknopte uitleg brandstoftransitieverplichting
Een beknopte wegwijzer van de brandstoftransitieverplichting vindt u op de website van RVO.