De brandstoftransitieverplichting is er op gericht om om de CO2-emissies van transportbrandstoffen te verminderen door de inzet van hernieuwbare energie. De brandstoftransitieverplichting richt zich op de de brandstofleveranciers en werkt met een marktmechanisme met verhandelbare eenheden: emissiereductie-eenheden (ERE's) . Op deze pagina leest u meer over de ERE's.
Marktmechanisme
De emissiereductie die brandstofleveranciers moeten behalen vanwege de brandstoftransitieverplichting wordt uitgedrukt in EmissieReductie-Eenheden (ERE's).
- 1 ERE staat voor 1 kg CO2eq-emissiereductie in de keten ten opzichte van een Europees vastgestelde fossiele referentiewaarde.
- Bedrijven die hernieuwbare energie leveren aan vervoer en dit inboeken in het NEa Register Energie Vervoer (REV), krijgen per kg behaalde CO2-(keten)emissiereductie 1 ERE op hun rekening in het REV.
- Een brandstofleverancier moet elk jaar (vóór 1 april) voldoende ERE’s inleveren bij de NEa om aan te tonen dat hij voldoende emissiereductie heeft behaald.
Brandstofleveranciers kunnen ERE's onderling verhandelen. Hierdoor kunnen ze ervoor kiezen om voldoende ERE's te verkrijgen door zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken of door een ‘overprestatie’ aan ERE's van andere brandstofleveranciers te kopen (of een combinatie van beiden).
ERE soorten
De brandstoftransitieverplichting bevat subdoelstellingen en limieten. Hiermee wordt het gebruik van bepaalde grondstoffen of vormen van hernieuwbare energie bevorderd en anderen juist ontmoedigd. Vanwege deze subdoelstellingen en limieten bestaan er verschillende ERE-soorten. De soort ingeboekte hernieuwbare energie en /of de grondstof van de biobrandstof bepaalt welke ERE-soort wordt gecreëerd.
Daarnaast geldt voor elke sector waaraan brandstoffen geleverd wordt een specifieke brandstoftransitieverplichting, die (grotendeels) behaald moet worden door de inzet van hernieuwbare energie in die betreffende sector. Om deze reden hebben de ERE soorten ook een sectorduiding.
Bovendien kunnen niet alle ERE-soorten in alle sectoren gecreëerd worden.
Meer informatie over de brandstoftransitieverplichting per sector leest u op deze webpagina.
De ‘naam’ van de ERE laat zien:
- In welke sector deze is ontstaan;
- Wat de bron of grondstof(categorie) is.
| Sector | Toelichting |
|---|---|
| LRE |
L = land |
| BRE | B = binnenvaart ERE die is ontstaan door leveringen hernieuwbare energie in de sector Binnenvaart. Sector binnenvaart omvat: binnenschepen |
| ZRE | Z = zeevaart ERE die is ontstaan door leveringen hernieuwbare energie in de sector Zeevaart. Sector zeevaart omvat: zeeschepen |
| RARE | R = raffinage Reductie-eenheid die is ontstaan door gebruik van RFNBO’s bij de productie van bio- of fossiele brandstoffen: raffinagereductie-eenheid |
| Soort | Toelichting | Subdoel/ limiet |
| ERE-G | ERE-Geavanceerd; deze ontstaan door het inboeken van leveringen vloeibare of gasvormige geavanceerde biobrandstof. Deze brandstof is geproduceerd uit afvalstromen en residuen of de specifieke uitwerking van industrieel afval. Deze grondstoffen staan vermeld in Bijlage IX, deel A van de Richtlijn hernieuwbare energie en/ of in Bijlage 5 van de regeling energie vervoer | Subdoel |
| ERE-R | ERE-RFNBO’s; deze ontstaan door het inboeken van leveringen van bijvoorbeeld hernieuwbare waterstof of hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zoals e-fuels. RFNBO = Renewable Fuels of Non-Biological Origin. Brandstofleveranciers kunnen ook RARE’s inzetten om te voldoen aan hun RFNBO-verplichting. | Subdoel |
| ERE-B | ERE-Bijlage IX, deel B; deze ontstaan door het inboeken van leveringen vloeibare of gasvormige biobrandstof. Deze brandstof is geproduceerd uit gebruikte plantaardige / dierlijke oliën en vetten. Deze grondstoffen staan vermeld in Bijlage IX, deel B van de Richtlijn hernieuwbare energie | Limiet |
| ERE-C | = ERE-Conventioneel; deze ontstaan door het inboeken van leveringen vloeibare of gasvormige conventionele biobrandstof. Deze biobrandstof is geproduceerd uit landbouw- en energiegewassen. | Limiet |
| ERE-O | = ERE-Overig; deze ontstaan door het inboeken van leveringen vloeibare of gasvormige overige biobrandstof. Deze brandstof is geproduceerd uit tussenteelt gewassen, of uit residuen van productie en verwerking van voedsel- en voedergewassen die niet in Bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie staan vermeld. | - |
| ERE-E | = ERE-Elektriciteit; deze ontstaan door het inboeken van leveringen elektriciteit aan vervoer. | - |
Beeld: Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
ERE-berekeningen
De brandstoftransitieverplichting is gericht op CO2-ketenemissiereductie. Bij zowel het berekenen van de hoogte van de BTV als het aantal te genereren ERE's staan de emissiefactoren van de verschillende brandstoffen / hernieuwbare energiedragers centraal.
Het aantal ERE dat nodig is voor de brandstoftransitieverplichting vanaf 2026 kan een brandstofleverancier berekenen met de onderstaande formule. Hierbij geldt dat per sector de totale energie-inhoud van alle type brandstofleveringen wordt gesommeerd. De verplichting is dus per sector en niet apart per type brandstof. De emissies van de brandstofleveringen worden berekend met de standaard referentiewaarde van 94 g CO2-eq/MJ die is vastgelegd in de Richtlijn hernieuwbare energie (RED). De reductiepercentages van de brandstoftransitieverplichting gelden als percentage van deze 94 g/MJ.
Onderstaande formule kan ook gebruikt worden om de hoogte van limieten en subdoelstellingen uit te rekenen. De totale verplichting en de subdoelstellingen worden afgerond naar boven, de limieten worden afgerond naar beneden.
| Brandstoftransitieverplichting in ERE = |
| verplichting [%] * (levering brandstoffen [l] * LHV brandstoffen [MJ/l]) * 94 [g/MJ] / 1000 |
|
De gegevens die het REV hanteert voor het bepalen van de hoogte van de brandstoftransitieverplichting vindt u op deze webpagina.
Indien u geen toegang heeft tot het REV: op de website van RVO is een rekentool beschikbaar waarmee een inschatting kan worden verkregen van het benodigd aantal ERE’s voor de BTV.
De ERE-systematiek vraagt om een zorgvuldige planning om aan uw verplichting te voldoen. In tegenstelling tot de HBE-systematiek levert een bepaald volume biobrandstof namelijk niet altijd meer een vast (zelfde) aantal eenheden op.
Het nieuwe systeem is gebaseerd op CO2-ketenemissiereductie waardoor de emissiewaarde op het bewijs van duurzaamheid centraal staat. Op basis van deze waarde wordt het aantal ERE’s uit een inboeking bepaald.
(Standaard)waardes en berekeningen
- Voor sommige grondstof-brandstofcombinaties zijn er standaardwaardes voor deze emissiereductie beschikbaar, deze zijn op Europees niveau vastgelegd in de RED.
- Voor veel grondstof-brandstofcombinaties zullen de partijen in de keten echter de daadwerkelijke emissiereductie zelf moeten berekenen volgens de regels uit de RED en Implementing Regulation 2022/996.
- Ook in ketens waar een standaardwaarde beschikbaar is, is het toegestaan zelf de daadwerkelijke waarde te berekenen, in veel gevallen is dat gunstiger dan de standaardwaarde. In gevallen dat er zelf berekend wordt, kan het aantal ERE’s per levering variëren.
| Vloeibare & gasvormige biobrandstoffen / vloeibare RFNBO's |
| Aantal ERE = omvang inboeking [l of kg] * LHV [MJ/l of MJ/kg] * (94 [g/MJ]- E [g/MJ]) / 1000 |
|
| Elektriciteit |
| Aantal ERE = levering [kWh] * aandeel hernieuwbaar [%] * 183 [g/MJ] * 3,6 [MJ/kWh] /1000 |
|
| Waterstof |
| Aantal ERE-R =hoeveelheid (kg) *120 MJ/kg (energie-inhoud) * (94 -emissiefactor (g/MJ))/1.000 |
|
De gegevens die het REV hanteert voor het bepalen van het aantal ERE's uit inboekingen vindt u op deze webpagina.
Indien u geen toegang heeft tot het REV: op de website van RVO is een rekentool beschikbaar waarmee een inschatting kan worden verkregen van het aantal te genereren ERE’s door inboekingen van geleverde hernieuwbare energie.
ERE's sparen
Als bedrijven na het afschrijven van Emissiereductie-eenheden (ERE’s) voor hun verplichtingen nog ERE’s overhebben, kunnen zij op 1 april een hoeveelheid ERE’s meenemen naar het volgende nalevingsjaar. Dit zijn de gespaarde ERE’s.
De hoeveelheid die mag worden meegenomen is gelimiteerd. Het aantal ERE’s boven de spaarlimiet vervalt. Dit is een automatische handeling in het Register Energie voor Vervoer (REV). De hoogte van de spaarlimiet verschilt per rekeninghouder.
Algemeen uitgangspunt is dat een saldo van 45.000 ERE’s of minder, altijd gespaard kan worden:
- Elke rekeninghouder mag minimaal 45.000 ERE sparen;
- Een inboeker mag maximaal 4% van de in het afgelopen jaar bijgeschreven ERE’s sparen;
- Een bedrijf met een brandstoftransitieverplichting mag maximaal 10% van die verplichting sparen.
Hierbij geldt altijd de hoogste van de drie opties. Het aantal ERE’s boven de spaarlimiet vervalt op 1 april automatisch.
De opvulling van de spaarlimiet vindt automatisch plaats op basis van de beschikbare ERE’s die op de rekening staan. De volgorde die het REV hierbij hanteert staat vast. In onderstaande volgorde worden de eenheden gespaard tot de spaarlimiet bereikt is.
- ERE hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (ERE-R)
- ERE geavanceerd (ERE-G)
- ERE overig (ERE-O)
- ERE bijlage IX-B (ERE-B)
- ERE conventioneel (ERE-C)
- ERE elektriciteit (ERE-E)
Het REV voert de spaartransacties automatisch uit met de jaarafsluiting.
Sparen gaat per sector. Dit wil zeggen dat een rekeninghouder die een verplichting heeft in meerdere sectoren sector of daarin actief is als inboeker voor elke sector een aparte spaarlimiet heeft. Het is dus niet mogelijk om ERE’s boven de spaarlimiet binnen een sector die mee te nemen in de spaarruimte van een andere sector.
Ook de spaarvolgorde wordt voor elke sector apart toegepast. Het REV past automatisch voor elke sector de spaarregels toe.
Het is niet mogelijk om ERE’s te sparen van buiten de sector waar de rekeninghouder actief is als inboeker of als bedrijf met een verplichting.
Voor bedrijven met alleen een overboekrekening geldt een spaarlimiet van 45.000 ERE per sector.
Op 1 mei 2026 zal de NEa de laatste jaarafsluiting op basis van HBE-regels uitvoeren. De spaartegoeden die daarna nog op rekening staan, zal de NEa omzetten naar ERE’s. Dit gebeurt alleen voor bedrijven die overgaan naar het vernieuwde REV (ingericht voor de ERE-systematiek). Hierbij gelden de volgende regels:
- De soorten (geavanceerd, bijlage IX deel B, conventioneel en overige) blijven hetzelfde bij omzetting van HBE naar ERE. Hier zijn geen uitzonderingen op. Er zullen dus géén eenheden worden omgezet in ERE-R of ERE-E.
- HBE-G wordt ERE-G
- HBE-B wordt ERE-B
- HBE-C wordt ERE-C
- HBE-O wordt ERE-O
- Om de ERE’s te verdelen over de verschillende sectoren wil het Ministerie voor elke soort HBE’s de verdeling naar de sectoren maken op basis van de inboekingen over 2025. Hierbij geldt de verdeling over de gehele markt en niet de bedrijfsspecifieke verdeling. Dit betekent dat bedrijven die niet actief zijn op een specifieke markt, alsnog eenheden uit een sector bijgeschreven kunnen krijgen waar ze niet actief zijn.
- Per soort HBE wordt voor álle bijgeschreven HBE’s gekeken naar de verdeling over de sectoren in 2025.
- Omdat de sector luchtvaart verdwijnt, tellen leveringen aan deze sector hiervoor als sector land.
- ERE-conventioneel is alleen inzetbaar in de sector land. De ERE-C zullen alleen aan die sector toebedeeld worden.
- De NEa heeft de sectorverdeling bekend gemaakt:
| HBE/ERE-C | HBE/ERE-B | HBE/ERE-O | HBE/ERE-G | |
| Land | 100% | 99,1% | 98,0% | 87,8% |
| Binnnevaart | 0% | 0,95% | 2,0% | 2,3% |
| Zeevaart | 0% | 0,0% | 0,0% | 9,9% |
Voorbeeld omzetting HBE spaarsaldo naar ERE's
| HBE-C | HBE-B | HBE-O | HBE-G | |
| Spaarsaldo na 1/5/2026 | 15.000 | 40.000 | 5.000 | 10.000 |
| Wordt: | ||||
| Totaal ERE | 690.000 ERE-C | 1.840.000 ERE-B | 230.000 ERE-O | 460.000 ERE-G |
| Waarvan | ||||
| Land | 690.000 LRE-C | 1.823.440 LRE-B | 225.400 LRE-O | 403.880 LRE-G |
| Binnenvaart | 0 BRE-C | 16.560 BRE-B | 4.600 BRE-B | 10.580 BRE-G |
| Zeevaart | 0 ZRE-C | 0 ZRE-B | 0 ZRE-O | 45.540 ZRE-G |
Duurzaamheid en grondstoffen van biobrandstoffen
De grondstof die gebruikt is voor de productie van een geleverde biobrandstof bepaalt welke ERE-soort er gegenereerd wordt. Meer uitleg over grondstoffen en biobrandstoffen leest u op deze webpagina.
Bedrijven mogen alleen biobrandstoffen inboeken in het Register Energie voor Vervoer (REV) als zij voldoen aan de Europese emissiereductie- en duurzaamheidseisen. Deze eisen gelden voor vloeibare en gasvormige biobrandstoffen. Meer uitleg over de duurzaamheid van biobrandstoffen leest u op deze webpagina.