De brandstoftransitieverplichting (BTV) houdt in dat brandstofleveranciers de broeikasgasuitstoot van de door hun geleverde brandstoffen jaarlijks met een bepaald percentage moeten verminderen. Dit percentage neemt elk jaar toe.
De BTV wordt per beleverde sector vastgesteld om te sturen op verduurzaming van transport in die specifieke sector. Op deze pagina leest u meer over welke bedrijven een BTV sector zeevaart hebben en wat zij jaarlijks moeten doen om aan hun BTV sector zeevaart te voldoen.
Let op: bedrijven die ook brandstof leveren aan de sectoren land en/of binnenvaart, kunnen voor die sectoren ook een brandstoftransitieverplichting hebben. Meer informatie over de verplichting sector land en sector binnenvaart vindt u op de daarvoor bestemde pagina’s.
Wie heeft een BTV sector zeevaart?
Welke bedrijven een BTV sector zeevaart hebben wordt vastgesteld op basis van de geleverde hoeveelheid en soort brandstof, de beleverde bestemming en de verantwoordelijkheid voor de brandstofkwaliteit. Een bedrijf heeft een BTV sector zeevaart voor een bepaald kalenderjaar als hij in dat jaar minimaal 500.000 liter gasolie voor de scheepvaart, dieselolie voor de scheepvaart of scheepsbrandstof levert aan zeeschepen waarbij hij een brandstofleveringsnota ofwel Bunker Delivery Note (BDN) opstelt.
Brandstoftransitieverplichting zeevaart
Brandstoftransitieverplichting zeevaart
Ondergrens
500.000 liter bij een temperatuur van 15 graden (l15)
Brandstof¹
Gasolie voor de scheepvaart,
Dieselolie voor de scheepvaart, en
Scheepsbrandstof:
zoals bedoeld in artikel 3.0, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging
Levering tot eindverbruik
Uitgifte van een brandstofleveringsnota zoals bedoeld in artikel 3.3 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging
Bestemming
Zeeschepen
¹Dit betreft het volledige volume brandstof, inclusief eventueel bijgemengde biobrandstoffen.
Als de levering tot eindverbruik aan de sector zeevaart in een kalenderjaar minder dan 500.000 liter bedraagt, dan heeft het bedrijf voor dat jaar geen brandstoftransitieverplichting sector zeevaart. Deze ondergrens geldt per sector. Als een bedrijf voor de levering tot eindverbruik aan de sector land en/of sector binnenvaart wel boven de ondergrens uitkomt, heeft het bedrijf voor die sector(en) dus wél te maken met een brandstoftransitieverplichting.
Wat houdt de BTV sector zeevaart in?
Een brandstofleverancier die brandstof levert aan de zeevaart en dus een BTV sector zeevaart heeft (‘verplichtinghouder’), moet elk jaar zorgen voor minder CO₂-uitstoot. Het gaat om de totale CO₂-uitstoot van de brandstof, vanaf het winnen van de grondstoffen tot en met het verbranden van de brandstof in het schip.
Elk jaar moet deze uitstoot met een vast percentage omlaag. Dat percentage wordt vergeleken met gewone fossiele brandstof. Voor fossiele brandstof geldt een Europese standaardwaarde van 94 gram CO₂ per megajoule. Het percentage dat verminderd moet worden, wordt elk jaar hoger.
a. Emissiereductie-eenheden (ERE’s)
De brandstoftransitieverplichting wordt uitgedrukt in emissiereductie-eenheden (ERE’s). 1 ERE betekent: 1 kilo minder CO₂-uitstoot over de hele keten van de brandstof.
Bedrijven krijgen ERE’s door hernieuwbare energie te leveren en deze levering te registreren in het Register Energie voor Vervoer (REV) van de NEa. Dit wordt ook wel inboeken genoemd.
Er zijn verschillende soorten en sectoren ERE’s. Welke soort en sector ERE een bedrijf krijgt hangt af van:
het type hernieuwbare energie;
de grondstof die voor de brandstof is gebruikt;
waar de brandstof wordt ingezet (sector of bestemming).
Sector ERE
Ontstaat door inboeking van levering
Nadere toelichting
ERE sector land (LRE)
Hernieuwbare energie aan de sector land
-
ERE sector binnenvaart (BRE)
Hernieuwbare energie aan de sector binnenvaart
-
ERE sector zeevaart (ZRE)
Hernieuwbare energie aan de sector zeevaart
-
Soort ERE
Ontstaat door inboeking van levering
Nadere toelichting
ERE-Geavanceerd (ERE-G)
Vloeibare of gasvormige geavanceerde biobrandstof
Biobrandstoffen uit grondstoffen in Bijlage IX, deel A van de RED
ERE-Bijlage IX B (ERE-B)
Vloeibare of gasvormige geavanceerde biobrandstof uit vetten
Biobrandstoffen uit grondstoffen in Bijlage IX, deel B van de RED
ERE-Conventioneel (ERE-C)
Vloeibare of gasvormige conventionele biobrandstof
Biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen
ERE-Elektriciteit (ERE-E)
Elektriciteit
Hernieuwbare elektriciteit
ERE-RFNBO (ERE-R)
Vloeibare of gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
Waterstof en afgeleide brandstoffen (RFNBO’s)
ERE-Overig (ERE-O)
Vloeibare of gasvormige overige biobrandstof
Biobrandstoffen die niet onder G, B of C vallen
Raffinagereductie-eenheid (RARE)
Ontstaat door inboeking van inzet RFNBO’s in de productie van transportbrandstoffen
Waterstof en afgeleide brandstoffen (RFNBO’s)
De soort en sector ERE is belangrijk bij het voldoen aan de jaarlijkse brandstoftransitieverplichting. Niet alle soorten ERE’s mogen ingezet worden voor de brandstoftransitieverplichting sector zeevaart en voor sommige soorten ERE’s geldt een maximum (sublimiet) of juist een minimum (subdoelstelling) inzet. Meer informatie hierover volgt onder ‘Hoogte verplichting'.
Algemene informatie over ERE’s en soorten en sectoren ERE’s vindt u op de pagina emissiereductie-eenheden.
b. Hoogte verplichting
Hoeveel ERE’s een brandstofleverancier nodig heeft om aan zijn verplichting voor een bepaald kalenderjaar te voldoen, hangt af van:
de hoeveelheid brandstof die hij levert in dat jaar, en
het verplichte reductiepercentage voor dat jaar.
Samen bepalen deze twee factoren hoeveel ERE’s nodig zijn om aan de verplichting voor een kalenderjaar te voldoen. Voor sommige soorten ERE’s geldt daarnaast een maximum of juist een minimum inzet.
Voor de brandstoftransitieverplichting in de zeevaart moeten vooral ERE’s worden ingezet die zijn ontstaan door het leveren van hernieuwbare energie aan zeeschepen. Deze ERE’s heten ZRE's. Daarnaast mag een beperkt aantal ERE’s uit de sector land (LRe’s) en de sector binnenvaart (BRE’s) worden ingezet.
In 2026 moet de sector zeevaart een ketenemissiereductie van 2,9% halen. Dit percentage loopt op tot 14,5% in 2030.
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
2,9%
4,8%
5,9%
7,1%
8,2%
Waarvan inzet LRE’s en BRE’s:
max. 0,9%
max. 1,5%
max. 1,8%
max. 2,2%
max. 2,5%
ERE-C
Inzet ERE-C niet toegestaan in deze sector
ERE-B
Inzet ERE-B niet toegestaan in deze sector
ERE-G
Geen minimale/maximale inzet ERE-G
ERE-R
-
Min. 0,02%
Min. 0,08%
Min. 0,16%
Min. 0,32%
Geen minimale/maximale inzet RARE voor subdoel ERE-R
Inzet ERE-R uit andere sectoren is niet toegestaan
ERE-E
Geen minimale/maximale inzet ERE-E sector zeevaart
Inzet ERE-E uit andere sectoren is niet toegestaan
ERE-O
Geen minimale/maximale inzet ERE-O
Voor meer informatie over de berekening van de hoogte van de verplichting op basis van de percentages uit deze tabel, zie ‘Berekening hoogte verplichting door het REV.
c. Berekening benodigd aantal ERE's
Het REV berekent voor iedere verplichtinghouder automatisch de benodigde hoeveelheid ERE’s per soort en sector. Dit gebeurt op basis van de geregistreerde gegevens van de geleverde brandstoffen, zie ‘Jaarlijks vóór 1 maart: brandstofleveringen registreren’. Hiervoor wordt de volgende formule gebruikt.
Aantal benodigde ERE’s: Hoeveelheid ERE’s benodigd voor het voldoen aan de brandstoftransitieverplichting sector zeevaart. Hierin wordt een onderverdeling gemaakt tussen soorten ERE’s waarvoor sublimieten of -doelstellingen gelden, zie ‘Hoogte verplichting’
Verplichting: Het verplichte reductiepercentage zoals vastgesteld voor de sector zeevaart voor dat kalenderjaar, zie ‘Hoogte verplichting’
Levering brandstoffen: De omvang van de levering in liters voor elke geleverde brandstof 1 binnen de reikwijdte van de verplichting, zie ‘Jaarlijks vóór 1 maart: Brandstofleveringen registreren’
LHV brandstoffen: De verbrandingswaarde van de brandstof 2. Voor gasolie voor de scheepvaart, dieselolie voor de scheepvaart en scheepsbrandstof gelden de standaardwaarden genoemd in de FuelEU Maritime verordening bijlage 2 (respectievelijk 42,7, 42,7 en 41 MJ/l)
94: De Europees vastgelegde standaardwaarde voor emissies van fossiele brandstof, waartegen de reductie moet worden behaald (in g/MJ)
1000: Nodig voor de omrekening van gram naar kg
1 De reikwijdte van de verplichting is alle scheepsbrandstof die u levert aan zeeschepen waarvoor u BDN’s opstelt, ook als deze deels of geheel bestaat uit biobrandstof. De geleverde hoeveelheden biobrandstoffen tellen dus mee in het berekenen van de verplichting
2 Voor het aandeel van een geleverde biobrandstof geldt dezelfde LHV als voor het fossiele aandeel waarin deze geleverd wordt. Dit betekent dat voor een levering dieselolie waarin een aandeel HVO is bijgemengd, er voor het gehele leveringsvolume wordt gerekend met de standaardwaarde van dieselolie (42,7 MJ/l).
Een verplichtinghouder kan in het REV inzicht verkrijgen in de verwachte hoogte van de brandstoftransitieverplichting van een kalenderjaar. Dat kan door in het REV de verwachte brandstofleveringen van dat jaar op te voeren. Meer informatie over de daarvoor benodigde gegevens wordt gegeven onder ‘Jaarlijks vóór 1 maart: brandstofleveringen registreren’. Vóór 1 maart van het daaropvolgende kalenderjaar moeten deze gegevens dan echter wel de geactualiseerd zijn naar de daadwerkelijk geleverde volumes.
Let op! Het vernieuwde REV is pas vanaf mei/juni 2026 beschikbaar. Verplichtinghouders die nog geen toegang hebben tot het (vernieuwde) REV of die al eerder inzicht in de hoogte van hun verplichting willen, kunnen dat krijgen met behulp van de BTV-rekentool.
Wat moeten verplichtinghouders doen?
Bedrijven met een brandstoftransitieverplichting (‘verplichtinghouders’) moeten jaarlijks drie verplichte handelingen uitvoeren. Deze handelingen voeren zij uit op hun rekening in het REV.
a. Jaarlijks vóór 1 maart: brandstofleveringen registreren
Verplichtinghouders zijn verplicht om vóór 1 maart hun brandstofleveringen van het voorgaande kalenderjaar te registreren in het REV. Per brandstof registreren zij het maandelijkse volume van de brandstofleveringen en de bijbehorende bestemming. Het gaat hierbij om het volledige volume brandstof dat is uitgeslagen tot verbruik, inclusief de eventueel bijgemengde biobrandstof. De registratie vindt plaats per sector waarvoor een verplichting geldt. Voor de BTV sector zeevaart registreren verplichtinghouders hun leveringen daarom binnen de sector ‘zeevaart’ in het REV.
Bedrijven registreren voor elke maand in het REV:
Het soort brandstof en de bijbehorende bestemming
Het geleverde volume:
Gasolie voor de scheepvaart: in liters bij een temperatuur van 15°C
Dieselolie voor de scheepvaart: in liters bij een temperatuur van 15°C
Scheepsbrandstof: in kilogram
Geregistreerde leveringsgegevens, zoals brandstofleveringen uit het voorgaande kalenderjaar, zijn vóór 1 maart nog te wijzigen door de rekeninghouder. Daarna liggen de gegevens vast. Geregistreerde brandstofleveringen worden dan gehanteerd om de definitieve hoogte van de verplichtingen vast te stellen.
Het is belangrijk dat de gegevens vóór de uiterste registratiedatum correct en volledig zijn geregistreerd. De NEa zal alleen in uitzonderlijke situaties overgaan tot het corrigeren van registraties in het voordeel van bedrijven. Bedrijven die brandstof leveren aan bestemmingen die buiten de verplichtingen vallen, moeten die dus al voor de deadline verwerken in het register. De NEa doet geen bijstellingen die leiden tot lagere verplichtingen bij incorrecte registratie door het bedrijf.
Het is daarom van belang dat bedrijven de administratieve processen zo inrichten, dat de gegevens volledig en juist kunnen worden ingevoerd. Ook de fiatteursrol in het REV kan helpen bij een correcte en volledige opgave. Als de rekeninghouder één of meerdere fiatteurs heeft toegewezen, zal een tweede paar ogen de geregistreerde gegevens moeten goedkeuren alvorens deze definitief zijn geregistreerd. Zie Register voor Vervoer (REV) voor meer informatie over de fiatteursrol in het REV.
b. Jaarlijks vóór 1 april: voldoende ERE’s van de juiste soort op rekening
Verplichtinghouders zijn verplicht om vóór 1 april voldoende ERE’s van de juiste soort en sector op hun rekening in het REV hebben om te voldoen aan de berekende verplichting. De hoeveelheid ERE’s op rekening toont daarmee de behaalde emissiereductie van het bedrijf in het voorgaande kalenderjaar. Dit moet gebeuren per sector waarvoor het bedrijf een verplichting heeft. Bedrijven met verplichtingen voor meerdere sectoren moeten dus zorgen dat zij voor iedere sector voldoende ERE’s op rekening hebben staan. Daarin moet ook rekening gehouden worden met de minimale en maximale toegestane inzet van bepaalde soorten ERE’s.
Een combinatie van beide is ook mogelijk. Een brandstoftransitieverplichting betekent dus niet automatisch een verplichting om zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken. Verplichtinghouders moeten zelf een afweging maken in welke van de twee optie hen het beste past. Deze opties worden verder toegelicht onder ‘ERE’s creëren door inboeken’ en ‘ERE’s kopen’.
ERE's ontstaan als bedrijven hernieuwbare energie leveren en (kenmerken van) deze leveringen registreren in het REV. Dit heet inboeken. Een bedrijf dat inboekt heet een inboeker. Onder hernieuwbare energie wordt verstaan:
Vloeibare biobrandstof;
Gasvormige biobrandstof;
Vloeibare hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong (RFNBO);
Gasvormige hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong (RFNBO); en
Hernieuwbare elektriciteit.
Om een levering in te mogen boeken, moet er aan bepaalde randvoorwaarden (‘Inboekvoorwaarden’) worden voldaan. Deze zijn er o.a. om te waarborgen dat de hernieuwbare energie daadwerkelijk geleverd is aan vervoer in Nederland en dat deze daadwerkelijk duurzaam/hernieuwbaar van aard was. De inboekvoorwaarden verschillen per soort hernieuwbare energie, en soms ook per sector. Na het inboeken wordt voor iedere kg CO2eq-emissiereductie in het register 1 ERE bijgeschreven op de rekening van de inboeker. Welke soort ERE bijgeschreven wordt, is afhankelijk van de soort hernieuwbare energie, de voor een brandstof gebruikte grondstof en de beleverde bestemming (Zie ‘Emissiereductie-eenheden (ERE’s)).
Inboeken gaat gepaard met bepaalde kosten en administratieve lasten. Bij het maken van de afweging om ERE’s te verkrijgen door zelf in te boeken of door ERE’s te kopen van andere bedrijven, moet met deze administratieve lasten rekening worden gehouden.
Voorbeelden van kosten en administratieve lasten bij levering van vloeibare biobrandstoffen (niet uitputtend en hoeven niet altijd voor te komen)
Inkoop van vloeibare biobrandstoffen
Opslagtanks en menginstallaties
Certificering met een erkend duurzaamheidssysteem
Bijhouden van duurzaamheidsadministratie en massabalans
Bemonstering en analyse
Inboekverificatie
Bij de afweging voor een bedrijf om in te boeken, moet het ook rekening houden met het NEa toezicht op de naleving van de inboekvoorwaarden (zie ‘Toezicht & Handhaving door de NEa’). De NEa heeft namelijk de mogelijkheid om handhavend op te treden (zie ‘Handhavingsmiddelen’) indien de inboeker niet aan die voorwaarden voldoet. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar niet vrijblijvende activiteit is.
Een bedrijf met een verplichting kan er voor kiezen ERE’s (deels) te kopen van andere bedrijven, in plaats van zelf ERE’s te creëren door hernieuwbare energie te leveren en in te boeken.
Bedrijven moeten zelf onderlinge afspraken maken over het verhandelen van ERE’s, ook over de prijzen ervan. De NEa heeft hier geen rol in. Binnen het REV kunnen bedrijven wel ERE’s naar elkaars rekening overboeken, maar de financiële afhandeling gaat buiten het REV om.
Om te zien welke bedrijven mogelijk ERE’s vragen of aanbieden, kan het overzicht met rekeninghouders geraadpleegd worden. Deze wordt regelmatig geüpdatet. Daarnaast hebben brokers of handelaren zicht op de huidige markt. Enkelen daarvan zijn genoemd op deze webpagina.
Verplichtinghouders sector zeevaart zijn verplicht om vóór 1 mei een verificatie te laten uitvoeren van hun (geregistreerde) brandstofleveringen aan binnenschepen van het voorgaande kalenderjaar (‘lte-verificatie’). De verificatie moet uitgevoerd worden door een externe, onafhankelijke verificateur, die controleert of de geregistreerde brandstofleveringen correct en volledig zijn. De verificatie vindt plaats op kosten van de verplichtinghouder. De verplichtinghouder moet hiervoor zelf tijdig een verificateur benaderen en contracteren. Het is verstandig om hier op tijd mee te beginnen. De resultaten van deze verificatie moeten vóór 1 mei door de verificateur in het REV zijn geregistreerd. Zodra duidelijk is welke verificateurs geaccrediteerd zijn om deze diensten uit te mogen voeren, communiceert de NEa hierover.
Register Energie voor Vervoer (REV)
Verplichtinghouders hebben een rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV) nodig om hun brandstofleveringen te kunnen registreren en aan hun brandstoftransitieverplichting te kunnen voldoen. Aan de hand van gegevens van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de NEa inzicht in de bedrijven die waarschijnlijk een brandstoftransitieverplichting sector zeevaart hebben, en een rekening in het REV nodig hebben.
De NEa probeert om voor het einde van ieder kalenderjaar contact op te nemen met de bedrijven die volgens de gegevens van de ILT een BTV sector zeevaart hebben, maar nog niet beschikken over een rekening in het REV. De verantwoordelijkheid om tijdig een rekening te hebben en te voldoen aan de verplichtingen ligt echter bij de bedrijven zelf. Bedrijven die denken een verplichting te hebben, maar die nog geen rekening in het REV hebben kunnen zich melden via: info@emissieautoriteit.nl.
Jaarafsluiting Hernieuwbare Energie voor Vervoer
De jaarafsluiting Hernieuwbare Energie voor Vervoer gaat over de registratie van leveringsgegevens van een nalevingsjaar en de administratieve afsluiting van dat jaar in het REV. Daarbij gelden voor verplichtinghouders de jaarlijkse deadlines zoals toegelicht onder ‘Wat moeten verplichtinghouders doen?’. Meer informatie over het proces van de jaarafsluiting vindt u onder het kopje 'jaarafsluiting' op deze webpagina.
Toezicht & handhaving door de NEa
De NEa houdt toezicht op het naleven van de brandstoftransitieverplichting. Indien de NEa constateert dat er onvoldoende ERE’s op rekening staan, of als de brandstofleveringen niet (volledig) of incorrect zijn opgevoerd, dan kan de NEa handhavend optreden.
Mocht een verplichtinghouder niet vóór 1 maart de brandstofleveringen hebben opgevoerd in het REV, dan zal de NEa zelf een hoeveelheid brandstof vaststellen (‘ambtshalve vaststellen’) aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
Ook als op een later moment (bijvoorbeeld tijdens een inspectie) blijkt dat de brandstofleveringen onjuist zijn geregistreerd, kan de NEa overgaan tot het ambtshalve vaststellen van de juiste hoeveelheid. De NEa kan dit doen tot 5 jaar na het kalenderjaar waarop de hoeveelheid betrekking heeft.
Verschillen tussen de BDN registratie bij de ILT en de registratie van brandstofleveringen kunnen voor de NEa aanleiding zijn voor nadere gegevenscontrole, en eventueel voor een inspectie. Bij een inspectie controleert de NEa of een bedrijf voldoet aan de wet- en regelgeving Hernieuwbare energie vervoer. U leest hier meer over wat zo’n inspectie inhoudt.
Bij constatering van niet-naleving van de wet- en regelgeving Hernieuwbare energie vervoer kan de NEa verschillende handhavingsmiddelen inzetten. U leest hier meer over de herstellende en bestraffende maatregelen die de NEa kan nemen.