Let op! Informatie op deze pagina is alleen relevant voor de ERE-systematiek. Klik op onderstaande knop om naar de HBE-systematiek te gaan. 

Naar HBE systematiek (RED II)

Een groot deel van de CO2-uitstoot in Nederland is afkomstig van de transportsector. Nederland moedigt daarom het gebruik aan van Hernieuwbare Energie voor Vervoer. Dat leidt tot minder verbruik van fossiele brandstoffen en een lagere CO2-uitstoot. Een belangrijk middel om dit doel te halen is de Brandstoftransitieverplichting (BTV). De BTV volgt vanaf 1 januari 2026 de Jaarverplichting Energie voor Vervoer op. Dat heeft effect op de brandstofleveranciers.

Op deze pagina leest u meer over welke bedrijven een BTV sector binnenvaart hebben en wat zij jaarlijks moeten doen om aan hun BTV sector binnenvaart te voldoen.

Wie heeft een BTV sector binnenvaart?

Op basis van de geleverde hoeveelheid en soort brandstof, de beleverde bestemming en accijnsverantwoordelijkheid wordt de BTV sector binnenvaart vastgesteld. Een bedrijf heeft een BTV sector binnenvaart voor een kalenderjaar als hij in dat jaar minimaal 500.000 liter rode diesel uitslaat tot verbruik aan binnenschepen.

Brandstoftransitieverplichting binnenvaart

Ondergrens

500.000 liter bij een temperatuur van 15 graden (l15)

Brandstof 1

Rode diesel: gasolie met roodkleuring waarvoor een accijnsvrijstelling geldt

Levering tot eindverbruik

Uitslag tot verbruik zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns

Bestemming 

Binnenschepen

1 Dit betreft het volledige volume brandstof, inclusief eventueel bijgemengde biobrandstoffen

Als de levering tot eindverbruik aan de sector binnenvaart in een kalenderjaar minder dan 500.000 liter bedraagt, dan heeft het bedrijf voor dat jaar geen BTV sector binnenvaart. Deze ondergrens geldt per sector. Als een bedrijf voor de levering tot eindverbruik aan de sector land en/of sector zeevaart boven de ondergrens uitkomt, heeft het bedrijf voor die sector(en) dus wél te maken met een BTV.

Wat houdt de BTV sector binnenvaart in?

Een brandstofleverancier die brandstof levert aan de binnenvaart en dus een BTV sector binnenvaart heeft (‘verplichtinghouder’), moet elk jaar zorgen voor minder CO₂-uitstoot. Het gaat om de totale CO₂-uitstoot van de brandstof, vanaf het winnen van de grondstoffen tot en met het verbranden van de brandstof in het schip.

Elk jaar moet deze uitstoot met een vast percentage omlaag. Dat percentage wordt vergeleken met gewone fossiele brandstof. Voor fossiele brandstof geldt een Europese standaardwaarde van 94 gram CO₂ per megajoule. Het percentage dat verminderd moet worden, wordt elk jaar hoger.

a. Emissiereductie-eenheden (ERE’s)

De brandstoftransitieverplichting wordt uitgedrukt in emissiereductie-eenheden (ERE’s). 1 ERE betekent: 1 kilo minder CO₂-uitstoot over de hele keten van de brandstof.

Bedrijven krijgen ERE’s door hernieuwbare energie te leveren en deze levering te registreren in het Register Energie voor Vervoer (REV) van de NEa. Dit wordt ook wel inboeken genoemd.

Er zijn verschillende soorten en sectoren ERE’s. Welke soort en sector ERE een bedrijf krijgt hangt af van:

  • het type hernieuwbare energie;
  • de grondstof die voor de brandstof is gebruikt;
  • waar de brandstof wordt ingezet (sector of bestemming).

b. Hoogte verplichting

Hoeveel ERE’s een brandstofleverancier nodig heeft om aan zijn verplichting voor een bepaald kalenderjaar te voldoen, hangt af van:

  • de hoeveelheid brandstof die hij levert in dat jaar, en
  • het verplichte reductiepercentage voor dat jaar.

Samen bepalen deze twee factoren hoeveel ERE’s nodig zijn om aan de verplichting voor een kalenderjaar te voldoen. Voor sommige soorten ERE’s geldt daarnaast een maximum of juist een minimum inzet.

Voor de brandstoftransitieverplichting in de binnenvaart moeten vooral ERE’s worden ingezet die zijn ontstaan door het leveren van hernieuwbare energie aan binnenschepen. Deze ERE’s heten BRE’s. Daarnaast mag een beperkt aantal ERE’s uit de sector land (LRe’s) en de sector zeevaart (ZRE’s) worden ingezet.

In 2026 moet de sector binnenvaart een ketenemissiereductie van 2,5% halen. Dit percentage loopt op tot 14,5% in 2030.

c. Berekening benodigd aantal ERE's

Het REV berekent voor iedere verplichtinghouder automatisch de benodigde hoeveelheid ERE’s per soort en sector. Dit gebeurt op basis van de geregistreerde gegevens van de geleverde brandstoffen, zie ‘Jaarlijks vóór 1 maart: Brandstofleveringen registreren’. Hiervoor wordt de volgende formule gebruikt.

Wat moeten verplichtinghouders doen?

Bedrijven met een brandstoftransitieverplichting (‘verplichtinghouders’) moeten jaarlijks drie verplichte handelingen uitvoeren. Deze handelingen voeren zij uit op hun rekening in het REV.

a. Jaarlijks vóór 1 maart: Brandstofleveringen registreren

Verplichtinghouders zijn verplicht om vóór 1 maart hun brandstofleveringen van het voorgaande kalenderjaar te registreren in het REV. Per brandstof registreren zij het maandelijkse volume van de brandstofleveringen en de bijbehorende bestemming. Het gaat hierbij om het volledige volume brandstof dat is uitgeslagen tot verbruik, inclusief de eventueel bijgemengde biobrandstof. De registratie vindt plaats per sector waarvoor een verplichting geldt. Voor de BTV sector binnenvaart registreren verplichtinghouders hun leveringen daarom binnen de sector ‘Binnenvaart’ in het REV.

Bedrijven registreren voor elke maand in het REV:

  • Het soort brandstof en de bijbehorende bestemming
  • Het geleverde volume:
    • Rode gasolie: in liters bij een temperatuur van 15°C
  • Bij een afwijking van de accijnsopgave: de omvang en de verklaring voor de afwijking.

Let op! Het is niet toegestaan om benzine of diesel die inclusief accijns is ingekocht en is opgeslagen in een AGP, af te trekken van de te registreren brandstofleveringen als deze brandstof later onder accijnsschorsing is doorgeleverd aan een andere AGP-vergunninghouder.

b. Jaarlijks vóór 1 april: Voldoende ERE’s van de juiste soort op rekening

Verplichtinghouders zijn verplicht om vóór 1 april voldoende ERE’s van de juiste soort en sector op hun rekening in het REV hebben om te voldoen aan de berekende verplichting. De hoeveelheid ERE’s op rekening toont daarmee de behaalde emissiereductie van het bedrijf in het voorgaande kalenderjaar. Dit moet gebeuren per sector waarvoor het bedrijf een verplichting heeft. Bedrijven met verplichtingen voor meerdere sectoren moeten dus zorgen dat zij voor iedere sector voldoende ERE’s op rekening hebben staan. Daarin moet ook rekening gehouden worden met de minimale en maximale toegestane inzet van bepaalde soorten ERE’s.

Een combinatie van beide is ook mogelijk. Een brandstoftransitieverplichting betekent dus niet automatisch een verplichting om zelf hernieuwbare energie te leveren en in te boeken. Verplichtinghouders moeten zelf een afweging maken in welke van de twee optie hen het beste past. Deze opties worden verder toegelicht onder ‘ERE’s creëren door inboeken’ en ‘ERE’s kopen’.

​​​​​​c. Jaarlijks vóór 1 mei: Verificatie brandstofleveringen laten uitvoeren

Verplichtinghouders sector binnenvaart zijn verplicht om vóór 1 mei een verificatie te laten uitvoeren van hun (geregistreerde) brandstofleveringen aan binnenschepen van het voorgaande kalenderjaar (‘lte-verificatie’). De verificatie moet uitgevoerd worden door een externe, onafhankelijke verificateur, die controleert of de geregistreerde brandstofleveringen correct en volledig zijn. De verificatie vindt plaats op kosten van de verplichtinghouder. De verplichtinghouder moet hiervoor zelf tijdig een verificateur benaderen en contracteren. Het is verstandig om hier op tijd mee te beginnen. De resultaten van deze verificatie moeten vóór 1 mei door de verificateur in het REV zijn geregistreerd. Zodra duidelijk is welke verificateurs geaccrediteerd zijn om deze diensten uit te mogen voeren, zal de NEa hierover communiceren.

Register Energie voor Vervoer (REV)

Verplichtinghouders hebben een rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV) nodig om hun brandstofleveringen te kunnen registreren en aan hun brandstoftransitieverplichting te kunnen voldoen. Aan de hand van gegevens van de Stichting Afvalstoffen Binnenvaart (SAB) heeft de NEa inzicht in de bedrijven die waarschijnlijk een brandstoftransitieverplichting sector binnenvaart hebben, en een rekening in het REV nodig hebben.

De NEa probeert om voor het einde van ieder kalenderjaar contact op te nemen met de bedrijven die volgens de gegevens van de SAB een BTV sector binnenvaart hebben, maar nog niet beschikken over een rekening in het REV. De verantwoordelijkheid om tijdig een rekening te hebben en te voldoen aan de verplichtingen ligt echter bij de bedrijven zelf. Bedrijven die denken een verplichting te hebben, maar die nog geen rekening in het REV hebben kunnen zich melden via: info@emissieautoriteit.nl

Jaarafsluiting Hernieuwbare Energie voor Vervoer

De jaarafsluiting Hernieuwbare Energie voor Vervoer gaat over de registratie van leveringsgegevens van een nalevingsjaar en de administratieve afsluiting van dat jaar in het REV. Daarbij gelden voor verplichtinghouders de jaarlijkse deadlines zoals toegelicht onder ‘Wat moeten verplichtinghouders doen?’. Meer informatie over het proces van de jaarafsluiting vindt u onder het kopje 'jaarafsluiting' op deze webpagina.

Toezicht & handhaving door de NEa

De NEa houdt toezicht op het naleven van de brandstoftransitieverplichting. Indien de NEa constateert dat er onvoldoende ERE’s op rekening staan, of als de brandstofleveringen niet (volledig) of incorrect zijn opgevoerd, dan kan de NEa handhavend optreden.