Bedrijven die vloeibare biobrandstoffen hebben geleverd aan de sector zeevaart in Nederland, kunnen deze leveringen registreren op hun rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV). Voor de registratie van deze leveringen ontvangen de bedrijven emissiereductie eenheden (ERE's) sector zeevaart (ook wel: ZRE). Voor elke kilogram CO2-ketenemissiereductie door de geleverde biobrandstoffen ontvangen zijn één ZRE.
Bedrijven die hun leveringen in het REV registreren zijn 'inboekers', de registratie van leveringen in het REV heet ‘inboeken’. ZRE’s die inboekers op hun rekening in het REV krijgen, kunnen ze inzetten om aan de eigen brandstoftransitieverplichting (BTV) te voldoen of verkopen aan andere bedrijven met een rekening in het REV.
Aan het inboeken van leveringen van vloeibare biobrandstoffen zijn eisen verbonden. Deze inboekeisen worden hieronder toegelicht, samen met een aantal andere praktische zaken rondom het inboeken.
Algemene informatie
Inboeken is vrijwillig maar niet vrijblijvend
Brandstofleveranciers hebben voor het verkrijgen van ERE's voor hun brandstoftransitieverplichting de keuze om zelf hernieuwbare energie (zoals biobrandstoffen) te leveren en in te boeken, of de benodigde ERE's te kopen van andere bedrijven (of een combinatie daarvan). Bij de afweging voor deze keuze, moet de brandstofleverancier ook rekening houden met het NEa toezicht op de naleving van de inboekeisen (zie ‘Toezicht & Handhaving door de NEa’ verder op deze webpagina). Niet naleving van de inboekvoorwaarden kan financiële consequenties hebben. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar geen vrijblijvende activiteit is.
Bunkerschip
Een transportmiddel van een AGP, ook wel een leurboot, barge, lichter of bunkerboot genoemd.
Bunkerwinkelschip
Een vaste AGP locatie met opslag, ook wel bunkerstation of bunkerponton genoemd.
Bunkerdienstverlening
Een zakelijke / logistieke constructie waarbij de inboeker een bunkerschip van een derde inschakelt om zijn klanten (die van de inboeker) te beleveren.
Inboekeisen - Wie mag inboeken?
De brandstofleverancier moet aan een aantal randvoorwaarden voldoen om te mogen inboeken:
De brandstofleverancier moet een onderneming zijn, wat volgens de wettelijke definitie betekent dat het bedrijf ingeschreven moet staan in het Nederlandse handelsregister (Kamer van Koophandel).
De brandstofleverancier die wil inboeken moet een vergunninghouder voor een accijnsgoederenplaats (AGP) voor minerale oliën zijn. Alleen leveringen die zijn uitgeslagen tot verbruik (of in bepaalde gevallen onder schorsing van betaling van accijns zijn geleverd) komen in aanmerking voor inboeken.
Doorgaans doen alleen AGP-vergunninghouders dergelijke acciijnstechnische leveringen. In sommige gevallen kan ook een geregistreerd geadresseerde of importeur dergelijke leveringen doen en in die hoedanigheid optreden als inboeker.
Zie ook ‘uitslag tot verbruik’ hieronder.
De brandstofleverancier moet gecertificeerd zijn volgens een erkend duurzaamheidssysteem. Hij moet gecertificeerd zijn als ‘trader with storage’ voor de laatste opslaglocatie vanwaar hij de biobrandstof levert. Dit is nodig omdat de inboeker de massabalans van biobrandstoffen moet voeren over de laatste opslaglocatie. Zie ook ‘duurzaamheid’ hieronder.
Inboekeisen - Wat mag ingeboekt worden?
Een fysieke biobrandstof die aantoonbaar geleverd is aan zeeschepen (voor aandrijving en scheepsbehoeften aan boord) komt in aanmerking om ingeboekt te worden wanneer de inboeker :
Kan aantonen dat deze levering is uitgeslagen tot verbruik bij levering aan een zeeschip;
Kan bewijzen dat de geleverde biobrandstof duurzaam van aard was;
Kan aantonen dat er een fysieke biobrandstof geleverd is.
Deze eisen worden hieronder nader toegelicht.
De inboeker heeft twee manieren om aan te tonen dat de ingeboekte levering aan een zeeschip is uitgeslagen tot verbruik:
De inboeker slaat de levering zelf uit tot verbruik;
De inboeker schakelt een bunkerdienstverlener in die de levering uitslaat tot verbruik.
Uitslag tot verbruik door de inboeker
De in te boeken geleverde biobrandstof moet zijn uitslagen tot verbruik. Dit kan als de inboeker de laatste schakel in de leveringsketen is en zelf de brandstof uitslaat tot verbruik wanneer hij deze brandstof levert aan de eindafnemer (het zeeschip). Dat kan bijvoorbeeld als de eindafnemer op de AGP-locatie van de inboeker wordt gebunkerd, of als een bunkerschip, dat onder de AGP vergunning van de inboeker valt, de biobrandstof naar de eindafnemer brengt en uit bunkert. Dat de inboeker de ingeboekte levering heeft uitgeslagen tot verbruik, moet blijken uit de (accijns)administratie van de inboeker.
Inschakelen van bunkerdienstverlener
Soms kan een inboeker zijn klanten in de zeevaart niet zelf kan beleveren. Bijvoorbeeld omdat hij niet beschikt over een bunkerschip dat onder zijn eigen AGP-vergunning valt. Hij kan dan een andere AGP-vergunninghouder mét een bunkerschip inschakelen om die belevering te laten verzorgen.
In dat geval moet de inboeker onder schorsing van betaling van accijns de brandstof (met biocomponent) leveren aan het bunkerschip van de bunkerdienstverlener. De bunkerdienstverlener is vervolgens diegene die de biobrandstof levert aan de klant van de inboeker en daarbij uitslaat tot verbruik. Om aan te tonen dat de bunkerdienstverlener de ingeboekte levering heeft uitgeslagen tot verbruik, moet de inboeker de (kopie van de) bunkerverklaring* van de ingeschakelde bunkerdienstverlener verkrijgen en in zijn administratie bewaren.
Douanestatus en bunkerprocedure
Of sprake is van uitslag tot verbruik (door de inboeker dan wel door de bunkerdienstverlener) hangt bij leveringen aan de zeevaart ook af van de douanestatus van de geleverde brandstof en de gehanteerde bunkerprocedure:
Douanestatus
Bunkerprocedure
De geleverde brandstof moet de status van Uniegoederen hebben (ook wel T2).
Neem contact op met de Douane om na te gaan of geleverd wordt volgens een bunkerprocedure die leidt tot uitslag tot verbruik.
Bestemming
De ingeboekte biobrandstof moet geleverd zijn aan een zeeschip voor de aandrijving van het schip of voor scheepsbehoeften aan boord van het schip. De ingeboekte brandstof mag dus niet geleverd worden aan bijvoorbeeld een andere AGP vergunninghouder / brandstofleverancier. Dit valt namelijk onder aanvoerbewegingen en die komen niet in aanmerking voor inboeken.
De enige uitzondering is de een levering aan een bunkerschip van een ander AGP-vergunninghouder als deze door de inboeker wordt ingeschakeld als bunkerdienstverlener.
Aantonen uitslag tot verbruik en beleverde bestemming
De inboeker moet met zijn eigen administratie / boekhouding aan kunnen tonen dat de ingeboekte biobrandstof is uitgeslagen tot verbruik en is geleverd aan een zeeschip. Daarvoor zijn ten minste de volgende documenten nodig:
Inboeker slaat zelf uit tot verbruik
Inboeker schakelt bunkerdienstverlener in
Bunkerverklaring van inboeker zelf als bewijs voor uitslag tot verbruik van de levering
Bunkerverklaring (kopie) van de bunkerdienstverlener als bewijs voor uitslag tot verbruik van de levering
Brandstofleveringsnota (Bunker delivery Note-BDN)
als bewijs voor levering aan eindverbruiker
Brandstofleveringsnota (Bunker delivery Note - BDN)
als bewijs voor levering aan eindverbruiker
Factuur en betaalbewijs als bewijs voor levering aan eindverbruiker
Factuur en betaalbewijs in de boekhouding van de inboeker als bewijs voor levering aan eindverbruiker
Factuur en betaalbewijs in de boekhouding van de inboeker als bewijs voor:
- het inschakelen van de bunkerdienstverlener
- de belading van het bunkerschip van de bunkerdienstverlener
Factuur en betaalbewijs: belang van klantrelatie tussen inboeker en eindafnemer
Situatie: Inboeker slaat zelf uit tot verbruiik
Het aantonen van een directe klantrelatie tussen inboeker en eindafnemer is niet nodig als de inboeker de geleverde biobrandstof zelf uitslaat tot verbruik. Dat betekent de facturering aan het zeeschip (de eindafnemer) eventueel ook door of via een andere partij dan de inboeker gedaan mag worden.
Situatie: Inboeker schakelt bunkerdienstverlener in
Wanneer voor een levering van de inboeker naar de eindafnemer (het zeeschip) een bunkerdienstverlener wordt ingezet dient er een directe klantrelatie tussen de inboeker en de eindafnemer te zijn.
De directe klantrelatie is in deze situatie van belang omdat de inboeker moet aantonen dat de bunkerdienstverlener, die de levering uitvoert, daadwerkelijk de klant van de inboeker belevert. Het beleverde zeeschip mag dus geen klant van de bunkerdienstverlener zelf zijn of een klant van een andere partij.
De inboeker moet de eindafnemer facturen. Zo kan de inboeker de klantrelatie en bestemming aantonen met een factuur en betaalbewijs in zijn boekhouding. Facturering aan de eindafnemer door of via een andere partij dan de inboeker is bij het inschakelen van een bunkerdienstverlener dus niet toegestaan.
Bovenstaande documenten zijn minimaal nodig om de uitslag tot verbruik en de levering aan een zeeschip (voor aandrijving of scheepsbehoeften aan boord) aan te tonen. De inboeker is er altijd verantwoordelijk voor dat de geleverde biobrandstof daadwerkelijk belandt op de bij de inboeking opgegeven bestemming.
Als de bestemming uiteindelijk een andere blijkt te zijn dan opgegeven bij de inboeking, kan dit voor de NEa aanleiding zijn om op te treden tegen de inboeker (en niet tegen zijn (eind)afnemer).
Afbeelding: zo werkt inboeken bij gebruik van een bunkerdienstverlener
Als een inboeker niet beschikt over een leurschip dat onder zijn eigen AGP-vergunning valt, kan hij zijn klanten in de zeevaart waarschijnlijk niet zelf beleveren. Hij kan dan een andere AGP-vergunninghouder mét een leurschip inschakelen om die belevering te laten verzorgen.
Dit gaat als volgt:
Stap 1
Vanaf de inboeklocatie van de inboeker wordt het leurschip van de bunkerdienstverlener beladen met een vloeibare biobrandstof van de inboeker.
De levering aan het leurschip is een levering onder schorsing van betaling van accijns, want het gaat om een levering tussen twee AGP-vergunninghouders.
De inboeker moet met factuur en betaalbewijs (het volume van) de belading van het ingeschakelde leurschip kunnen aantonen, evenals de dienstverlening door de bunkerdienstverlener.
De biobrandstof aan boord van het leurschip blijft in eigendom van de inboeker en wordt dus niet verkocht aan de bunkerdienstverlener.
Stap 2
Vervolgens vaart het leurschip van de bunkerdienstverlener naar de klant van de inboeker, waar de levering plaatsvindt (aan het zeeschip ten behoeve van de aandrijving of voor scheepsbehoeften aan boord).
Bij deze levering slaat de bunkerdienstverlener uit tot verbruik en maakt hij een bunkerverklaring op.
De bunkerdienstverlener verstrekt een kopie van de bunkerverklaring aan de inboeker, zodat die beschikt over een bewijsstuk voor de levering aan het schip en de uitslag tot verbruik.
Stap 3
De inboeker factureert de levering van de (bio)brandstof aan zijn eindklant: de rederij en/of het schip.
De bunkerdienstverlener wordt dus alleen ingezet om het transport naar de klant van de inboeker te verzorgen. Via een bunkerdienstverlener kan dus niet:
- Een klant van de ingeschakelde bunkeraar zelf beleverd worden;
- Een bunkeraar ontzorgd worden door de inboeker de leveringen van de bunkeraar te laten inboeken.
De afbeelding hieronder laat zien hoe dit te werk gaat:
De ingeboekte biobrandstof moet bewezen duurzaam zijn. Dit moet blijken uit een door de inboeker aangemaakt bewijs van duurzaamheid (ook: proof of sustainability - PoS).
Certificering is een belangrijke voorwaarde voor het aantonen dat geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidseisen. De gehele productieketen van biobrandstoffen moet gecertificeerd zijn volgens een duurzaamheidssysteem. Dat begint bij de teelt van gewassen en eindigt bij de bedrijven die de biobrandstoffen leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer en inboeken in het REV.
Bedrijven mogen alleen duurzaamheidssystemen (voluntary schemes) gebruiken die zijn erkend door de Europese Commissie.
De inboeker moet gecertificeerd zijn voor de locatie van waaruit hij de biobrandstof levert. De ingeboekte biobrandstof moet zijn geleverd vanaf een opslaglocatie waarover de inboeker de massabalans voert:
zijn eigen fysieke accijnsgoederenplaats;
een (tank op een) fysieke accijnsgoederenplaats van een andere AGP-vergunninghouder.
Let op: deze AGP-opslaglocatie moet de laatste AGP-opslaglocatie in de leveringsketen zijn.
De laatste AGP-opslaglocatie in de keten is de (wal)locatie waar de biobrandstoffen zich (al dan niet geblend) bevinden vóór de levering aan het zeeschip. Deze laatste AGP-opslaglocatie, moet onder de duurzaamheidscertificering van de inboeker vallen (als trader with storage). De inboeker moet de massabalans van de biobrandstoffen op deze laatste opslaglocatie beheren.
Gecertificeerde opslaglocaties
Locaties waarover een massabalans gevoerd kan worden, zijn gecertificeerde opslaglocaties. Het kan gaan om een tankopslag op land of een bunkerwinkelschip (drijvende opslag maar met vaste locatie). Het moet gaan om een vaste locatie die onderdeel is van een AGP-vergunning.
Transportmiddelen zoals leurschepen/ bunkerboten/ lichters zijn géén opslaglocaties die gecertificeerd kunnen worden en waarover een massabalans gevoerd kan worden.
Een massabalans is een boekhouding, die een getrouwe weergave geeft van de in- en uitgaande stromen en voorraad duurzame biobrandstoffen:
(in een opslagtank) op een locatie van de onderneming,
gedurende een bepaalde periode,
als onderdeel van een door de inboeker gehanteerd duurzaamheidssysteem.
Om de massabalans van biobrandstoffen over een locatie te kunnen voeren, moet de inboeker de biobrandstoffen op die locatie in eigendom hebben.
Binnen bepaalde kaders mogen administratief kenmerken van biobrandstoffen worden toegekend, echter alleen aan fysieke biobrandstoffen. Fossiele brandstoffen staan niet op de massabalans.
Minstens één keer per kwartaal wordt de administratieve massabalans aangesloten op de fysieke voorraden.
Afbeelding: duurzaamheidsketen van leveringen biobrandstoffen
Om de duurzaamheid van de geleverde biobrandstof aan te tonen, stelt de inboeker, ter grootte van de geleverde biobrandstof, een bewijs van duurzaamheid voor de NEa op dat hij in de eigen administratie bewaart.
Van belang is dat de duurzaamheidkenmerken van de biobrandstof op het bewijs van duurzaamheid en die van de inboeking in het register overeenkomen en dat de inboeker de PoS niet overdraagt aan een andere partij zoals zijn afnemer.
Voor een fossiel deel van een brandstof mag een inboeker geen bewijs van duurzaamheid opmaken.
Eenmaal ingeboekte biobrandstof mag niet als duurzame biobrandstof worden door geleverd. De duurzaamheidsclaim vervalt bij het inboeken. Hierdoor kan de duurzaamheid slechts door één partij verzilverd worden met Emissiereductie-eenheden (zie ook ‘parallel claimen’ hieronder). Dit wordt geborgd doordat de inboeker in de massabalans de ingeboekte biobrandstoffen afboekt en de bestemming ‘NEa’ geeft.
Als een bedrijf de duurzaamheid van biobrandstoffen niet kan aantonen, dan kan het deze brandstoffen niet inboeken in het REV. Hiervoor ontvangt het bedrijf dus geen Emissiereductie-eenheden.
Alleen fysieke vloeibare biobrandstoffen die aan de zeevaart zijn geleverd mogen ingeboekt worden. De inboeker moet aantonen dat daadwerkelijk sprake is van een fysieke hoeveelheid geleverde biobrandstof door middel van monstername en analyse.
De monstername en analyse hebben betrekking op de ingeboekte brandstof die de inboeker heeft geleverd. De analyse moet gebeuren met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de aanwezigheid van een biobrandstof en op basis van een representatief monster.
Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bio-ethanol en ETBE, gebeurt de monstername en analyse door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium.
De monstername en analyse moet gebeuren:
door de inboeker zelf op de brandstof die de AGP-locatie verlaat en ingeboekt wordt, of
door de toeleverancier van de inboeker op de brandstof die de AGP-locatie van de inboeker binnenkomt.
Een bewijs van duurzaamheid is géén geldige manier om aan te tonen dat er biobrandstof aanwezig was in een levering. Het is alleen een bewijs om de duurzaamheid van een biobrandstof aan te tonen.
Erkende analysemethode
De inboeker is vrij om zelf een erkende analysemethode te kiezen waarmee hij de fysieke aanwezigheid van de hoeveelheid biobrandstof aantoont. De analysemethode moet daarvoor bestemd zijn.
Voor FAME zijn gangbare analyses beschikbaar. In de praktijk ziet de NEa dat voor veel andere biobrandstoffen bestemd voor de zeevaart alleen C14-analyse (koolstofdatering) binnen de kaders van bijlage 2, deel A van de Regeling energie vervoer valt. De gangbare analyses op kwaliteit/specificaties zijn veelal niet toereikend. Indien u een andere analysemethode dan C14 wilt gebruiken (voor biobrandstoffen anders dan FAME), dan raden we u aan om deze eerst aan de NEa voor te leggen.
Deze leidraad geeft meer informatie over de monstername en analyse van biobrandstoffen.
Inboekeisen - Aandachtspunten
Voor bepaalde typen leveringen van biobrandstoffen gelden aandachtspunten. Deze zijn hieronder beschreven.
Hierboven is uitgelegd dat alleen brandstofleveranciers met een AGP-vergunning die hun leveringen uitslaan tot verbruik of onder schorsing van accijns leveren (bij gebruik van bunkerdienstverlener) in de gelegenheid zijn om leveringen van vloeibare biobrandstoffen aan de zeevaart in te boeken.
De reikwijdte van verplichting voor de sector zeevaart is echter breder: dit betreft de leveringen van gasolie/diesel voor de scheepvaart en scheepsbrandstoffen aan zeeschepen in Nederland door alle brandstofleveranciers (dus niet alleen die met een AGP-vergunning) waarvoor een BDN moet worden opgesteld (dus niet alleen leveringen die onder de accijnsregelgeving vallen, maar ook die onder douaneregelgeving vallen). Brandstofleveranciers met een verplichting die willen inboeken, moeten hier rekening mee houden.
Biobrandstoffen geleverd aan zeeschepen zijn alleen in te boeken als het biobrandstoffen betreffen waarvoor Emissiereductie-eenheden van de soorten ‘geavanceerd’ en ‘overig’ worden bijgeschreven. Dit betekent dat deze biobrandstoffen gemaakt moeten zijn van:
van hele specifieke afvalstromen of gewassen (ZRE-overig) *.
* biobrandstof geproduceerd uit een residu van de productie of verwerking van voedsel- en voedergewassen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie of verordening (EU) 2022/996; of biobrandstof geproduceerd uit grondstoffen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d en f, onder 1° van 9.7.4.6. de Wet milieubeheer.
Voor sommige biobrandstoffen, geeft de EU-richtlijn hernieuwbare energie geen onderste verbrandingswaarde. Dit is met name het geval bij bepaalde biobrandstoffen die aan de zeevaart geleverd worden, zoals geraffineerde olie.
In zulke gevallen, moet de inboeker met monstername en analyse de onderste verbrandingswaarde van de betreffende biobrandstof laten vaststellen door een volgens ISO/IEC17025 geaccrediteerd laboratorium.
Hierbij geldt, dat de opgegeven verbrandingswaarde representatief dient te zijn voor de ingeboekte brandstoffen. De inboeker moet op het moment van inboeken beschikken over een bewijsstuk hiervan. In het Register Energie Vervoer (REV) kan de inboeker zelf de onderste verbrandingswaarde opgeven.
Voor het inboeken van geleverde bio-LNG of bio-LPG gelden de inboekeisen van vloeibare biobrandstoffen. Bovengenoemde inboekeisen gelden dus ook voor de leveringen van bio-LNG en bio-LPG. Er zijn echter 2 uitzonderingen:
Massabalans over laatste opslaglocatie
Voor geïmporteerde bio-LNG (of bio-LPG) die direct van de buitenlandse productielocatie wordt geleverd aan vervoersmiddelen in Nederland hoeft de inboeker niet de massabalans te voeren over de laatste opslaglocatie. In plaats daarvan moet hij een 'gewone' massabalans (als trader) voeren voor de brandstoffen die hij in eigendom heeft gedurende de periode tussen afname bij de productielocatie in het buitenland tot het moment van leveren (uitslag tot verbruik) in Nederland. De inboeker hoeft dan ook niet gecertificeerd te zijn voor de laatste opslaglocatie (de productielocatie in het buitenland).
Let op: Het moet gaan om een fysieke bio-LNG (of bio-LPG) waarbij geen tussentijdse opslag plaatsvindt tussen de productielocatie in het buitenland en de uitslag tot verbruik in Nederland. Als er wel een tussentijdse opslag is, dan moet de inboeker voor die (AGP-)locatie gecertificeerd zijn als trader with storage en daar de massabalans van de biobrandstoffen over voeren.
Aantonen biocomponent
Voor het inboeken van bio-LNG en bio-LPG geldt een uitzondering voor de manier waarop de inboeker moet aantonen dat zijn levering daadwerkelijk de biocomponent bevatte die hij heeft ingeboekt. Dit hoeft hij niet per se te doen door monstername en analyse, maar kan hij ook doen met een zogenaamde 'verificatie biomassa'.
Deze verificatie vindt plaats op de productielocatie van de bio-LPG en bio-LNG en verschaft de inboeker een manier om aan te tonen dat hij een hoeveelheid vloeibare biobrandstof ter grootte van de inboeking heeft geleverd. Net als bij monstername en analyse geldt ook voor de verificatie biomassa dat de verificatie betrekking moet hebben op de geleverde en ingeboekte brandstof.
Brandstofproducenten kunnen brandstoffen maken door het gelijktijdig, in één proces, verwerken van fossiele en biogene grondstoffen. Dit heet ook wel co-processing. Brandstofleveranciers die deze brandstoffen op de markt brengen, kunnen deze inboeken in het REV.
Het biogene deel van de co-processed brandstof geldt als een vloeibare biobrandstof. De inboeker moet daarom voldoen aan de voorwaarden die gelden voor vloeibare biobrandstoffen. Dit betekent onder andere dat de inboeker het biogene aandeel moet kunnen aantonen (zie C14-kader). Voor de duurzaamheid van de biobrandstof geldt dat de inboeker een bewijs van duurzaamheid moet gebruiken.
Voor de producent geldt dat deze zich moet houden aan de regels vanuit het gekozen duurzaamheidsschema dat de eisen volgt uit de gedelegeerde verordening die de Europese Commissie hiervoor opstelde.
EU maritime / ETS-zeevaartOnder inboekeisen zeevaart/ duurzaamheid (hierboven) wordt uitgelegd dat eenmaal ingeboekte biobrandstof niet als duurzame biobrandstof mag worden doorgeleverd. De duurzaamheidsclaim vervalt bij het inboeken, omdat de PoS als het ware wordt ingeleverd bij de NEa. Dit heeft met name als doel om te voorkomen dat een biobrandstof nogmaals wordt geclaimd voor ERE’s (of buitenlandse equivalenten) of dat een PoS in omloop raakt en (in het buitenland) op leveringen van fossiele brandstoffen worden ‘geplakt’.
Inboeken in het REV
De inboeker moet een aantal gegevens behorend bij de geleverde biobrandstoffen opgeven in het REV. Deze gegevens bepalen o.a. de hoeveelheid en soort ERE die verkregen wordt en geven andere informatie over de leveringen.
CO2-sturing
Voor elke kilogram CO2-equivalent-ketenemissiereductie door de geleverde biobrandstof die wordt ingeboekt krijgt de inboeker 1 ERE op zijn rekening in het REV bijgeschreven. Afhankelijk van de grondstof die gebruikt is voor de biobrandstof, worden er verschillende soorten ERE’s bijgeschreven.
De ERE-systematiek vraagt om een zorgvuldige voorbereiding om te weten hoeveel ERE’s er verkregen worden. Een bepaald volume geleverde biobrandstof levert namelijk niet altijd een vast aantal ERE’s op. De emissiewaarde op het bewijs van duurzaamheid van de geleverde biobrandstof bepaalt namelijk hoeveel ERE’s er worden bijgeschreven. Het is verstandig hier rekening mee te houden.
Het ERE-systeem is gebaseerd op CO2-ketenemissiereductie. De emissiefactor op het bewijs van duurzaamheid staat daarom centraal bij het bepalen van het aantal ERE’s uit een inboeking.
Voor sommige grondstof-brandstofcombinaties zijn standaardwaardes voor emissiefactoren beschikbaar. Deze zijn op Europees niveau vastgelegd in de RED.
Voor veel grondstof-brandstofcombinaties zullen de partijen in de keten echter de daadwerkelijke emissiefactor zelf moeten vaststellen volgens de regels uit de RED en Implementing Regulation 2022/996.
Ook in gevallen waarvoor een standaardwaarde beschikbaar is, is het toegestaan zelf de daadwerkelijke waarde te berekenen. In veel gevallen is dat gunstiger dan de standaardwaarde.
Aantal ERE = omvang inboeking [l of kg] * LHV [MJ/l of MJ/kg] * (94 [g/MJ]- E [g/MJ]) * factor / 1000
De omvang van de inboeking is de geleverde biobrandstof in liters of kilogrammen;
LHV is de lagere verbrandingswaarde van de biobrandstof die u inboekt in MJ/l of MJ/kg. Afhankelijk van het soort biobrandstof geldt een standaardwaarde uit de RED of een zelf vastgestelde waarde door monstername en analyse volgens een ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium;
94 is de Europees vastgelegde fossiele uitgangswaarde (in g/MJ) waartegen een biobrandstof reduceert;
De emissiefactor E is de emissiefactor van de biobrandstof in g/MJ zoals op het bewijs van duurzaamheid staat. Afhankelijk van de grondstof-brandstof combinatie kan er gebruik worden gemaakt van standaardwaarden uit de RED of wordt dit in het kader van het duurzaamheidssysteem vastgesteld.
Indien de biobrandstof is gemaakt van dierlijk vet categorie 3, geldt er een rekenfactor van 0,5.
De deling door 1000 is nodig voor de omrekening van gram naar kg.
Op de website van RVO is een rekentool beschikbaar die inzicht geeft in het aantal ERE’s uit inboekingen van vloeibare biobrandstoffen.
Afhankelijk van de grondstof die gebruikt is voor de biobrandstof, worden er verschillende soorten ERE’s bijgeschreven.
ERE-Geavanceerd (ERE-G)
Inboekingen van biobrandstof uit grondstoffen van bijlage IX-A RED of bijlage 5 van de Regeling energie vervoer
ERE-Overige (ERE-O)
Inboekingen van biobrandstof geproduceerd uit een residu van de productie of verwerking van voedsel- en voedergewassen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie of verordening (EU) 2022/996; of biobrandstof geproduceerd uit grondstoffen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d en f, onder 1° van 9.7.4.6. de Wet milieubeheer.
Voor meer informatie over grondstoffen en ERE-soorten, zie deze webpagina
Een bedrijf krijgt direct na het inboeken van een biobrandstoflevering het bijbehorende aantal ERE’s bijgeschreven op zijn rekening in het REV. Afhankelijk van de gebruikte grondstof voor de biobrandstof, betreft het voor een levering aan de sector zeevaart een ZRE van één van bovengenoemde soorten.
Voor hernieuwbare energie die is geleverd tussen 1 januari en 1 april van een kalenderjaar en in diezelfde periode is ingeboekt, schrijft het REV de ERE’s niet direct bij. Dat gebeurt na 1 april van dat jaar, nadat de jaarafsluiting van het voorgaande jaar heeft plaatsgevonden.
De bijschrijving van ERE’s kan opgeschort worden een afwijking van het inboekprofiel of andere onregelmatigheden worden geconstateerd.
Als bedrijven na het afschrijven van Emissiereductie-eenheden (ERE’s) voor hun verplichtingen nog ERE’s overhebben, kunnen zij op 1 april een gelimiteerde hoeveelheid ERE’s meenemen naar het volgende nalevingsjaar. Dit zijn de gespaarde ERE’s. Meer informatie over over sparen en de spaarlimiet leest u op deze webpagina.
Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof, voert de inboeker (tenminste) de volgende gegevens in het Register:
de soort vloeibare biobrandstof
de hoeveelheid in liters bij 15°C of kilogram
of de brandstof (waar de biobrandstof in is geblend) een standaard- of niet-standaardbrandstof is
of de biobrandstof onderdeel uitmaakte van hoge of lage blend (meer of minder dan 50% biogeen gehalte)
de onderste verbrandingswaarde (als het gaat om een brandstof waarvoor de RED geen waarde geeft)
de locatie waar vanaf geleverd is
de datum of de periode van levering
het type levering (uitslag tot verbruik of levering onder schorsing van betaling van accijns)
het gehanteerde duurzaamheidssysteem
het nummer van het bewijs van duurzaamheid
de grondstof(fen) en land(en) van herkomst daarvan
het land van de productie van de biobrandstof
de broeikasgasemissie in g CO2 eq/MJ van de ingeboekte biobrandstof
indien geen standaardwaarde uit de RED is gebruikt de emissie (in g CO2 eq/MJ) per factor
de indicatie van de startdatum van de productielocatie van de biobrandstof
Tijdig inboeken
Inboeken van geleverde biobrandstoffen kan het hele jaar door. Wel geldt een uiterste deadline: uiterlijk op de laatste werkdag vóór 1 maart van elk jaar moeten de biobrandstoffen (geleverd in het voorgaande kalenderjaar) ingeboekt zijn in het REV.
Biobrandstoffen die geleverd zijn in 2026 moeten uiterlijk 26 februari 2027 in het REV zijn ingeboekt. Na deze datum is het niet meer mogelijk om nog inboekingen van leveringen uit 2026 te doen.
Vernieuwd REV
Het REV wordt grondig vernieuwd in verband met de overgang van HBE’s naar ERE’s. Naar verwachting is het vernieuwde REV in mei/juni 2026 beschikbaar voor het inboeken voor ERE’s.
Inboekverificatie
Bedrijven die inboeken in het REV moeten jaarlijks over een inboekverificatieverklaring beschikken. Hieruit blijkt of de ingeboekte hernieuwbare energie aan alle wettelijke vereisten voldoet. Als de inboekverificatie niet met goed gevolg is afgerond, verstrekt de inboeker een rapport van bevindingen.
De verificateur verwerkt jaarlijks vóór 1 mei de uitkomsten van de inboekverificatie over de inboekingen van het voorgaande kalenderjaar in het REV.
Een inboeker moet zelf een contract met de inboekverificateur afsluiten en bekostigen.
Benader een inboekverificateur tijdig, om te voorkomen dat bovengenoemde deadline niet gehaald kan worden.
Inboekverificateurs
Op dit moment zijn er drie inboekverificateurs:
Control Union;
Dekra;
NORMEC QS.
Eisen aan de inboekverificateur
De inboekverificateur voert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige manier uit.
De inboekverificateur is geaccrediteerd voor het onderdeel inboekverificatie van het werkveld hernieuwbare energie vervoer, door de Nederlandse Raad voor Accreditatie (RvA) of door een nationale accreditatieinstelling uit een andere lidstaat van de Europese Unie (EU).
De inboekverificateur mag ook verificaties uitvoeren als hij aantoonbaar een accreditatieprocedure is gestart die nog niet is afgerond.
Informatie over het accreditatieproces is te verkrijgen bij de Raad voor Accreditatie Raad voor Accreditatie (RvA).
Toezicht en handhaving door de NEa
In aanvulling op de inboekverificateur voert ook de NEa periodieke controles op de inboekingen uit. Als sprake is van een onjuiste inboeking dan kan de NEa deze, tot 5 jaar na het kalenderjaar waarop de inboeking betrekking heeft, corrigeren (ambtshalve vaststellen), zie ‘Handhavingsmiddelen’. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar niet vrijblijvende activiteit is.
Inboeken: eigen afweging maken
Brandstofleveranciers hebben voor het verkrijgen van ERE's voor hun brandstoftransitieverplichting de keuze om zelf hernieuwbare energie (zoals biobrandstoffen) te leveren en in te boeken, of de benodigde ERE's te kopen van andere bedrijven (of een combinatie daarvan). Brandstofleveranciers zijn dus niet verplicht om zelf biobrandstoffen bij te mengen.
Naast de kosten en administratieve lasten die gepaard gaan bij het inboeken, moet de brandstofleverancier bij de keuze voor het wel of niet inboeken ook rekening houden met het NEa toezicht op de naleving van de inboekeisen. Niet naleving van de inboekvoorwaarden kan leiden tot handhavend optreden en financiële consequenties hebben. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar geen vrijblijvende activiteit is.
Voorbeelden van kosten en administratieve lasten bij levering van vloeibare biobrandstoffen (niet uitputtend en hoeven niet altijd voor te komen)
Inkoop van vloeibare biobrandstoffen
Opslagtanks en menginstallaties
Certificering met een erkend duurzaamheidssysteem
Bijhouden van duurzaamheidsadministratie en massabalans