Bedrijven die vloeibare biobrandstoffen hebben geleverd aan de sector land in Nederland, kunnen deze leveringen registreren op hun rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV). Voor de registratie van deze leveringen ontvangen de bedrijven emissiereductie eenheden (ERE's) sector land (ook wel: LRE). Voor elke kilogram CO2-ketenemissiereductie door de geleverde biobrandstoffen ontvangen zijn één LRE.
Bedrijven die hun leveringen in het REV registreren zijn 'inboekers', de registratie van leveringen in het REV heet ‘inboeken’. LRE’s die inboekers op hun rekening in het REV krijgen, kunnen ze inzetten om aan de eigen brandstoftransitieverplichting (BTV) te voldoen of verkopen aan andere bedrijven met een rekening in het REV.
Aan het inboeken van leveringen van vloeibare biobrandstoffen zijn eisen verbonden. Deze inboekeisen worden hieronder toegelicht, samen met een aantal andere praktische zaken rondom het inboeken.
Algemene informatie
Sector land
Onder de sector land vallen leveringen aan wegvoertuigen, spoorvoertuigen, mobiele werktuigen, landbouwtrekkers, bosbouwmachines, pleziervaartuigen en vaste installaties.
Inboekeisen - Wie mag inboeken?
De brandstofleverancier moet aan een aantal randvoorwaarden voldoen om te mogen inboeken:
De brandstofleverancier die wil inboeken moet een onderneming zijn, wat volgens de wettelijke definitie betekent dat het bedrijf ingeschreven moet staan in het Nederlandse handelsregister (Kamer van Koophandel).
De brandstofleverancier die wil inboeken moet een vergunninghouder voor een accijnsgoederenplaats (AGP) voor minerale oliën zijn. Alleen leveringen die zijn uitgeslagen tot verbruik (of in bepaalde gevallen onder schorsing van betaling van accijns zijn geleverd) komen in aanmerking voor inboeken.
Doorgaans doen alleen AGP-vergunninghouders dergelijke acciijnstechnische leveringen. In sommige gevallen kan ook een geregistreerd geadresseerde of importeur dergelijke leveringen doen en in die hoedanigheid optreden als inboeker.
Zie ook ‘uitslag tot verbruik’ hieronder.
De brandstofleverancier die wil inboeken moet gecertificeerd zijn volgens een erkend duurzaamheidssysteem. Hij moet gecertificeerd zijn als ‘trader with storage’ voor de laatste opslaglocatie vanwaar hij de biobrandstof levert. Dit is nodig omdat de inboeker de massabalans van biobrandstoffen moet voeren over de laatste opslaglocatie. Zie ook ‘duurzaamheid’ hieronder.
Inboekeisen - Wat mag ingeboekt worden?
Een fysieke biobrandstof die aantoonbaar geleverd is aan de sector land komt in aanmerking om ingeboekt te worden wanneer de inboeker:
Kan aantonen dat deze levering is uitgeslagen tot verbruik.
Kan bewijzen dat de geleverde biobrandstof duurzaam van aard was.
Kan aantonen dat er een fysieke biobrandstof geleverd is.
Deze eisen worden hieronder nader toegelicht.
De in te boeken geleverde biobrandstof moet zijn uitslagen tot verbruik. Dat kan op twee manieren:
De inboeker slaat de levering zelf uit tot verbruik;
Een andere AGP-vergunninghouder haalt de brandstof af bij de inboeker via de ABC-afhaalconstructie.
Uitslag tot verbruik door inboeker
Wanneer de inboeker de laatste schakel in de leveringsketen is en de brandstof levert aan de eindafnemer (bestemmingen in de sector land), slaat hij de brandstof zelf uit tot verbruik. Dat de inboeker de ingeboekte levering heeft uitgeslagen tot verbruik, moet blijken uit zijn (accijns)administratie.
ABC afhaalconstructie *
Bij een ABC afhaalconstructie haalt een andere AGP vergunninghouder de (bio)brandstof met een truck af bij de inboeker en slaat deze andere AGP vergunninghouder uit tot verbruik bij levering aan de eindverbruiker. Bij het Inboeken via een ABC afhaalconstructie is er sprake van een levering onder schorsing van accijnsbetaling. Bij een inboeking via een ABC afhaalconstructie:
mag de brandstof na het afhalen bij de inboeker niet weer worden opgeslagen in een andere AGP-locatie;
na afhalen bij de inboeker moet de brandstof direct naar de eindafnemer in de sector land worden gebracht.
Inboeken via een ABC afhaalconstructie mag alleen als de (bio)brandstof in een standaardbrandstof zit. Onder standaardbrandstoffen wordt verstaan:
EN228 benzine
EN590 diesel;
EN15940 (dit kan dus ook een 100% HVO zijn);
een gasolie voor mobiele machines met maximaal 50% biobrandstof
LNG / LPG (geen normering of maximaal gehalte biobrandstof)
Niet-standaard brandstoffen voldoen niet aan bovengenoemde EN-normering, of het betreft een gasolie voor mobiele machines met meer dan 50% biobrandstof.
Bestemming
De ingeboekte biobrandstof moet geleverd zijn aan één van de bestemmingen binnen de sector land. Leveringen aan andere bestemmingen zijn niet inboekbaar (of vallen onder de sectoren zee- of binnenvaart). De ingeboekte brandstof mag niet worden geleverd aan een andere AGP locatie. Dan zou er namelijk sprake zijn van een aanvoerbeweging en die komen niet in aanmerking voor inboeken.
Aantoonbaarheidseisen van biobrandstoffen in/als standaard brandstoffen
Wanneer de inboeker een standaardbrandstof zelf uitslaat tot verbruik of deze onder schorsing levert via een ABC afhaalconstructie levert, dan veronderstelt de regelgeving dat deze standaardbrandstof op de Nederlandse markt is beland. De aantoonbaarheidseisen zijn daarom beperkt tot het aantonen dat er sprake is van een standaardbrandstof en dat deze is uitgeslagen tot verbruik door de inboeker zelf, of dat de inboeker de standaardbrandstof via een ABC afhaalconstructie heeft laten afhalen.
Inboeker slaat zelf uit tot verbruik
ABC afhaalconstructie
Uit accijnsadministratie moet uitslag tot verbruik blijken
Uit accijnsadministratie moet levering onder schorsing blijken
Normering als standaardbrandstof moet blijken, of bij gasolie voor mobiele machines een bio-gehalte van minder dan 50%
Normering als standaardbrandstof moet blijken, of bij gasolie voor mobiele machines een bio-gehalte van minder dan 50%
Aantoonbaarheidseisen van biobrandstoffen in / als niet-standaardbrandstoffen
Niet-standaardbrandstoffen zullen in de regel als tussenproduct gebruikt worden en bijvoorbeeld niet bij een tankstation verkocht worden. Daarom gelden er extra vereisten om aan te tonen dat de inboeker een niet-standaardbrandstof voor eindgebruik aan de sector land geleverd heeft: met behulp van (in elk geval) een factuur en betaalbewijs (voorzien van een afleveradres) moet hij dit aantonen. Daarnaast mag een inboeker een biobrandstof in een niet-standaardbrandstof niet inboeken als deze geleverd is via de ABC-afhaalconstructie.
Inboeker slaat zelf uit tot verbruik
ABC afhaalconstructie
Uit accijnsadministratie moet uitslag tot verbruik blijken
Niet mogelijk voor niet-standaard brandstoffen
Factuur en betaalbewijs als bewijs dat aan zijn afnemer is geleverd die onder de sector land valt
Eigen verantwoordelijkheid
Hierboven zijn de minimale aantoonbaarheidseisen voor het onderbouwen van de uitslag tot verbruik en de beleverde bestemming benoemd. Dit ontslaat de inboeker echter niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen dat tegenover zijn inboekingen ook echt leveringen van biobrandstof staan, die eindigen bij de bij de inboeking opgegeven bestemming. Het is aan de inboekers zelf om er zorg voor te dragen dat desgewenst afspraken worden gemaakt in de rest van de leveringsketen om de bestemming te borgen. Als de bestemming uiteindelijk een andere blijkt te zijn dan opgegeven bij de inboeking, dan kan dit voor de NEa aanleiding zijn om op te treden tegen de inboeker.
De ingeboekte biobrandstof moet bewezen duurzaam zijn. Dit moet blijken uit een door de inboeker aangemaakt bewijs van duurzaamheid (ook: proof of sustainability - PoS).
Certificering is een belangrijke voorwaarde voor het aantonen dat geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidseisen. De gehele productieketen van biobrandstoffen moet gecertificeerd zijn volgens een duurzaamheidssysteem. Dat begint bij de teelt van gewassen / het inzamelen van afvalstoffen en eindigt bij de bedrijven die de biobrandstoffen leveren aan de Nederlandse markt voor vervoer en inboeken in het REV.
Bedrijven mogen alleen duurzaamheidssystemen (voluntary schemes) gebruiken die zijn erkend door de Europese Commissie.
De inboeker moet gecertificeerd zijn voor de locatie van waaruit hij de biobrandstof levert. De ingeboekte biobrandstof moet zijn geleverd vanaf een opslaglocatie waarover de inboeker de massabalans voert:
- zijn eigen fysieke accijnsgoederenplaats;
- een (tank op een) fysieke accijnsgoederenplaats van een andere AGP-vergunninghouder.
Let op: deze AGP-opslaglocatie moet de laatste AGP-opslaglocatie in de leveringsketen zijn.
De laatste AGP-opslaglocatie in de keten is de locatie waar de biobrandstoffen zich (al dan niet geblend) bevinden vóór de levering aan de sector land. Deze laatste AGP-opslaglocatie, moet onder de duurzaamheidscertificering van de inboeker vallen (als trader with storage). De inboeker moet de massabalans van de biobrandstoffen op deze laatste opslaglocatie beheren.
Gecertificeerde opslaglocaties
Locaties waarover een massabalans gevoerd kan worden, zijn gecertificeerde opslaglocaties. Het moet gaan om een vaste locatie die onderdeel is van een AGP-vergunning. Transportmiddelen zijn géén opslaglocaties die gecertificeerd kunnen worden en waarover een massabalans gevoerd kan worden.
Een massabalans is een boekhouding die een getrouwe weergave geeft van de in- en uitgaande stromen en voorraad duurzame biobrandstoffen;
(in een opslagtank) op een locatie van de onderneming,
gedurende een bepaalde periode,
als onderdeel van een door de inboeker gehanteerd duurzaamheidssysteem.
Om de massabalans van biobrandstoffen over een locatie te kunnen voeren, moet de inboeker de biobrandstoffen op die locatie in eigendom hebben.
Binnen bepaalde kaders mogen administratief kenmerken van biobrandstoffen worden toegekend, echter alleen aan fysieke biobrandstoffen. Fossiele brandstoffen staan niet op de massabalans.
Minstens één keer per kwartaal wordt de administratieve massabalans aangesloten op de fysieke voorraden.
Om de duurzaamheid van de geleverde biobrandstof aan te tonen, stelt de inboeker, ter grootte van de geleverde biobrandstof, een bewijs van duurzaamheid voor de NEa op dat hij in de eigen administratie bewaart. De duurzaamheidkenmerken van de biobrandstof op het bewijs van duurzaamheid en die van de inboeking in het register moeten met elkaar overeenkomen.
Voor een fossiel deel van een brandstof mag een inboeker geen bewijs van duurzaamheid opmaken.
De inboeker mag de PoS niet overdragen aan een andere partij zoals zijn afnemer. Eenmaal ingeboekte biobrandstof mag niet als duurzame biobrandstof worden door geleverd. De duurzaamheidsclaim vervalt bij het inboeken. Hierdoor kan de duurzaamheid slechts door één partij verzilverd worden met Emissiereductie-eenheden. Dit wordt geborgd doordat de inboeker in de massabalans de ingeboekte biobrandstoffen afboekt en de bestemming ‘NEa’ geeft.
Als een bedrijf de duurzaamheid van biobrandstoffen niet kan aantonen, dan kan het deze brandstoffen niet inboeken in het REV. Hiervoor ontvangt het bedrijf dus geen Emissiereductie-eenheden.
Alleen fysieke vloeibare biobrandstoffen die zijn geleverd mogen ingeboekt worden. De inboeker moet aantonen dat daadwerkelijk sprake is van een fysieke hoeveelheid geleverde biobrandstof door middel van monstername en analyse.
De monstername en analyse hebben betrekking op de ingeboekte brandstof die de inboeker heeft geleverd. De analyse moet gebeuren met behulp van een erkende methode die bestemd is voor het vaststellen van de aanwezigheid van een biobrandstof en op basis van een representatief monster.
Met uitzondering van methylvetzuren (FAME), bio-ethanol en ETBE, gebeurt de monstername en analyse door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium.
De monstername en analyse moeten gebeuren:
door de inboeker zelf op de brandstof die de AGP-locatie verlaat en ingeboekt wordt, of
door de toeleverancier van de inboeker op de brandstof die de AGP-locatie van de inboeker binnenkomt.
In het laatste geval moet de inboeker met een betrouwbare overpomp- en opslagboekhouding van de locatie kunnen aantonen dat de door hem van zijn toeleverancier ontvangen biobrandstof dezelfde biobrandstof is, als die door hem aan de Nederlandse markt is geleverd.
Een bewijs van duurzaamheid is geen geldige manier om aan te tonen dat er biobrandstof aanwezig was in een levering. Het is alleen een bewijs om de duurzaamheid van een biobrandstof aan te tonen.
Erkende analysemethode
De inboeker is vrij om zelf een erkende analysemethode te kiezen waarmee hij de fysieke aanwezigheid van de hoeveelheid biobrandstof aantoont. De analysemethode moet daarvoor bestemd zijn.
Voor bijvoorbeeld FAME en ethanol of ETBE zijn gangbare analyses beschikbaar. In de praktijk ziet de NEa dat voor andere biobrandstoffen zoals HVO alleen C14-analyse (koolstofdatering) binnen de kaders van bijlage 2, deel A van de Regeling energie vervoer valt. De gangbare analyses op kwaliteit/specificaties zijn veelal niet toereikend. Indien u een andere analysemethode dan C14 wilt gebruiken (voor biobrandstoffen anders dan FAME), dan raden we u aan om deze eerst aan de NEa voor te leggen.
Deze leidraad geeft meer informatie over de monstername en analyse van biobrandstoffen.
Inboekeisen - Aandachtspunten
Voor bepaalde typen leveringen gelden aandachtspunten. Die zijn hieronder beschreven:
Voor het inboeken van geleverde bio-LNG of bio-LPG gelden de inboekeisen van vloeibare biobrandstoffen. Bovengenoemde inboekeisen gelden dus ook voor de leveringen van bio-LNG en bio-LPG. Er zijn echter 2 uitzonderingen:
Massabalans over laatste opslaglocatie
Voor geïmporteerde bio-LNG (of bio-LPG) die direct van de buitenlandse productielocatie wordt geleverd aan vervoersmiddelen in Nederland hoeft de inboeker niet de massabalans te voeren over de laatste opslaglocatie. In plaats daarvan moet hij een 'gewone' massabalans (als trader) voeren voor de brandstoffen die hij in eigendom heeft gedurende de periode tussen afname bij de productielocatie in het buitenland tot het moment van leveren (uitslag tot verbruik) in Nederland. De inboeker hoeft dan ook niet gecertificeerd te zijn voor de laatste opslaglocatie (de productielocatie in het buitenland).
Let op: Het moet gaan om een fysieke bio-LNG (of bio-LPG) waarbij geen tussentijdse opslag plaatsvindt tussen de productielocatie in het buitenland en de uitslag tot verbruik in Nederland. Als er wel een tussentijdse opslag is, dan moet de inboeker voor die (AGP-)locatie gecertificeerd zijn als trader with storage en daar de massabalans van de biobrandstoffen over voeren.
Aantonen biocomponent
Voor het inboeken van bio-LNG en bio-LPG geldt een uitzondering voor de manier waarop de inboeker moet aantonen dat zijn levering daadwerkelijk de biocomponent bevatte die hij heeft ingeboekt. Dit hoeft hij niet per se te doen door monstername en analyse, maar kan hij ook doen met een zogenaamde 'verificatie biomassa'.
Deze verificatie vindt plaats op de productielocatie van de bio-LPG en bio-LNG en verschaft de inboeker een manier om aan te tonen dat hij een hoeveelheid vloeibare biobrandstof ter grootte van de inboeking heeft geleverd. Net als bij monstername en analyse geldt ook voor de verificatie biomassa dat de verificatie betrekking moet hebben op de geleverde en ingeboekte brandstof.
Brandstofproducenten kunnen brandstoffen maken door het gelijktijdig, in één proces, verwerken van fossiele en biogene grondstoffen. Dit heet ook wel co-processing. Brandstofleveranciers die deze brandstoffen op de markt brengen, kunnen deze inboeken in het REV.
Het biogene deel van de co-processed brandstof geldt als een vloeibare biobrandstof. De inboeker moet daarom voldoen aan de voorwaarden die gelden voor vloeibare biobrandstoffen. Dit betekent onder andere dat de inboeker het biogene aandeel moet kunnen aantonen (zie C14-kader). Voor de duurzaamheid van de biobrandstof geldt dat de inboeker een bewijs van duurzaamheid moet gebruiken.
Voor de producent geldt dat deze zich moet houden aan de regels vanuit het gekozen duurzaamheidsschema dat de eisen volgt uit de gedelegeerde verordening die de Europese Commissie hiervoor opstelde.
Strikt genomen is een handelaar geen bestemming die onder de sector land valt. Echter, indien een biobrandstof in (of als) een standaardbrandstof wordt uitgeslagen tot verbruik door de inboeker, verlangt de NEa geen aanvullend bewijs van de inboeker om de eindbestemming aan te tonen. De biobrandstof kan daarmee aan een eindgebruiker of een handelaar (niet zijnde een AGP-vergunninghouder) geleverd zijn.
De NEa eist dus niet van de inboeker dat hij bij dit soort leveringen over facturen en betaalbewijzen beschikt om het eindgebruik aan te tonen; ook niet van een handelaar.
Let op: zoals hierboven gemeld, ontslaat de beperkte bewijslast de inboeker niet van zijn eigen verantwoordelijkheid dat tegenover zijn inboekingen ook echt leveringen van biobrandstof staan, die eindigen bij de bestemming zoals opgegeven bij de inboeking.
Biobrandstof in (of als) een niet-standaardbrandstof
Bij een biobrandstof in (of als) een niet-standaardbrandstof is de bewijslast anders.
Niet-standaardbrandstoffen zullen in de regel als tussenproduct gebruikt worden en bijvoorbeeld niet bij een tankstation verkocht worden.
Daarom geldt als extra vereiste bij het inboeken van biobrandstoffen in een niet-standaardbrandstof dat de inboeker tenminste met behulp van een factuur en betaalbewijs (voorzien van een afleveradres) moet kunnen aantonen dat zijn afnemer de brandstof voor eigen gebruik afgenomen heeft.
Dit zal bij een handelaar niet het geval zijn: de handelaar is de afnemer van de inboeker maar verbruikt de brandstof niet zelf. Leveringen van biobrandstoffen in of als een niet-standaardbrandstof aan een handelaar zijn dus niet inboekbaar.
Inboeken in het REV
De inboeker moet een aantal gegevens behorend bij de geleverde biobrandstoffen opgeven in het REV. Deze gegevens bepalen o.a. de hoeveelheid en soort ERE die verkregen wordt en geven andere informatie over de leveringen.
CO2-sturing
Voor elke kilogram CO2-equivalent-ketenemissiereductie door de geleverde biobrandstof die wordt ingeboekt krijgt de inboeker 1 ERE op zijn rekening in het REV bijgeschreven. Afhankelijk van de grondstof die gebruikt is voor de biobrandstof, worden er verschillende soorten ERE’s bijgeschreven.
De ERE-systematiek vraagt om een zorgvuldige voorbereiding om te weten hoeveel ERE’s er verkregen worden. Een bepaald volume geleverde biobrandstof levert namelijk niet altijd een vast aantal ERE’s op. De emissiewaarde op het bewijs van duurzaamheid van de geleverde biobrandstof bepaalt namelijk hoeveel ERE’s er worden bijgeschreven. Het is verstandig hier rekening mee te houden.
Het ERE-systeem is gebaseerd op CO2-ketenemissiereductie. De emissiefactor op het bewijs van duurzaamheid staat daarom centraal bij het bepalen van het aantal ERE’s uit een inboeking.
Voor sommige grondstof-brandstofcombinaties zijn standaardwaardes voor emissiefactoren beschikbaar. Deze zijn op Europees niveau vastgelegd in de RED.
Voor veel grondstof-brandstofcombinaties zullen de partijen in de keten echter de daadwerkelijke emissiefactor zelf moeten vaststellen volgens de regels uit de RED en Implementing Regulation 2022/996.
Ook in gevallen waarvoor een standaardwaarde beschikbaar is, is het toegestaan zelf de daadwerkelijke waarde te berekenen. In veel gevallen is dat gunstiger dan de standaardwaarde.
Aantal ERE = omvang inboeking [l of kg] * LHV [MJ/l of MJ/kg] * (94 [g/MJ]- E [g/MJ]) * factor / 1000
De omvang van de inboeking is de geleverde biobrandstof in liters of kilogrammen;
LHV is de lagere verbrandingswaarde van de biobrandstof die u inboekt in MJ/l of MJ/kg. Afhankelijk van het soort biobrandstof geldt een standaardwaarde uit de RED of een zelf vastgestelde waarde door monstername en analyse volgens een ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium;
94 is de Europees vastgelegde fossiele uitgangswaarde (in g/MJ) waartegen een biobrandstof reduceert;
De emissiefactor E is de emissiefactor van de biobrandstof in g/MJ zoals op het bewijs van duurzaamheid staat. Afhankelijk van de grondstof-brandstof combinatie kan er gebruik worden gemaakt van standaardwaarden uit de RED of wordt dit in het kader van het duurzaamheidssysteem vastgesteld.
Indien de biobrandstof is gemaakt van dierlijk vet categorie 3, geldt er een rekenfactor van 0,5.
De deling door 1000 is nodig voor de omrekening van gram naar kg.
Op de website van RVO is een rekentool beschikbaar die inzicht geeft in het aantal ERE’s uit inboekingen van vloeibare biobrandstoffen.
Afhankelijk van de grondstof die gebruikt is voor de biobrandstof, worden er verschillende soorten ERE’s bijgeschreven.
ERE-Conventioneel (ERE-C)
Inboekingen van biobrandstof uit voedsel- of energiegewassen. Er gelden limieten voor de inzet van ERE-C om aan de brandstoftransitieverplichting te voldoen. Er zal dus een beperkte behoefte aan deze ERE soort zijn.
ERE-Bijlage IX-B (ERE-B)
Inboekingen van biobrandstof uit grondstoffen van bijlage IX-B RED. Er gelden limieten voor de inzet van ERE-B om aan de brandstoftransitieverplichting te voldoen. Er zal dus een beperkte behoefte aan deze ERE soort zijn.
ERE-Geavanceerd (ERE-G)
Inboekingen van biobrandstof uit grondstoffen van bijlage IX-A RED of bijlage 5 van de Regeling energie vervoer. Er gelden subdoelstellingen voor een minimale inzet van ERE-G. De vraag naar deze ERE soort wordt dus extra gestimuleerd.
ERE-Overige (ERE-O)
Inboekingen van biobrandstof geproduceerd uit een residu van de productie of verwerking van voedsel- en voedergewassen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie of verordening (EU) 2022/996; of biobrandstof geproduceerd uit grondstoffen, niet zijnde de grondstoffen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d en f, onder 1° van 9.7.4.6. de Wet milieubeheer.
Voor meer informatie over grondstoffen en ERE-soorten, zie deze webpagina
Een bedrijf krijgt direct na het inboeken van een biobrandstoflevering het bijbehorende aantal ERE’s bijgeschreven op zijn rekening in het REV. Afhankelijk van de gebruikte grondstof voor de biobrandstof, betreft het voor een levering aan de sector land een LRE van één van bovengenoemde soorten.
Voor hernieuwbare energie die is geleverd tussen 1 januari en 1 april van een kalenderjaar en in diezelfde periode is ingeboekt, schrijft het REV de ERE’s niet direct bij. Dat gebeurt na 1 april van dat jaar, nadat de jaarafsluiting van het voorgaande jaar heeft plaatsgevonden.
De bijschrijving van ERE’s kan opgeschort worden een afwijking van het inboekprofiel of andere onregelmatigheden worden geconstateerd.
Als bedrijven na het afschrijven van Emissiereductie-eenheden (ERE’s) voor hun verplichtingen nog ERE’s overhebben, kunnen zij op 1 april een gelimiteerde hoeveelheid ERE’s meenemen naar het volgende nalevingsjaar. Dit zijn de gespaarde ERE’s. Meer informatie over over sparen en de spaarlimiet leest u op deze webpagina.
Bij de inboeking van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof, voert de inboeker (tenminste) de volgende gegevens in het Register:
de soort vloeibare biobrandstof
de hoeveelheid in liters bij 15°C of kilogram
of de brandstof (waar de biobrandstof in is geblend) een standaard- of niet-standaardbrandstof is
of de biobrandstof onderdeel uitmaakte van hoge of lage blend (meer of minder dan 50% biogeen gehalte)
de onderste verbrandingswaarde (als het gaat om een brandstof waarvoor de RED geen waarde geeft)
de locatie waar vanaf geleverd is
de datum of de periode van levering
het type levering (uitslag tot verbruik of levering onder schorsing van betaling van accijns)
het gehanteerde duurzaamheidssysteem
het nummer van het bewijs van duurzaamheid
de grondstof(fen) en land(en) van herkomst daarvan
het land van de productie van de biobrandstof
de broeikasgasemissie in g CO2 eq/MJ van de ingeboekte biobrandstof
indien geen standaardwaarde uit de RED is gebruikt de emissie (in g CO2 eq/MJ) per factor
de indicatie van de startdatum van de productielocatie van de biobrandstof
Tijdig inboeken
Inboeken van geleverde biobrandstoffen kan het hele jaar door. Wel geldt een uiterste deadline: uiterlijk op de laatste werkdag vóór 1 maart van elk jaar moeten de biobrandstoffen (geleverd in het voorgaande kalenderjaar) ingeboekt zijn in het REV.
Biobrandstoffen die geleverd zijn in 2026 moeten uiterlijk 26 februari 2027 in het REV zijn ingeboekt. Na deze datum is het niet meer mogelijk om nog inboekingen van leveringen uit 2026 te doen.
Vernieuwd REV
Het REV wordt grondig vernieuwd in verband met de overgang van HBE’s naar ERE’s. Naar verwachting is het vernieuwde REV in mei/juni 2026 beschikbaar voor het inboeken voor ERE’s
Inboekverificatie
Bedrijven die inboeken in het REV moeten jaarlijks over een inboekverificatieverklaring beschikken. Hieruit blijkt of de ingeboekte hernieuwbare energie aan alle wettelijke vereisten voldoet. Als de inboekverificatie niet met goed gevolg is afgerond, verstrekt de inboeker een rapport van bevindingen.
De verificateur verwerkt jaarlijks vóór 1 mei de uitkomsten van de inboekverificatie over de inboekingen van het voorgaande kalenderjaar in het REV.
Een inboeker moet zelf een contract met de inboekverificateur afsluiten en bekostigen.
Benader een inboekverificateur tijdig, om te voorkomen dat bovengenoemde deadline niet gehaald kan worden.
Inboekverificateurs
Op dit moment zijn er drie inboekverificateurs:
Control Union;
Dekra;
NORMEC QS.
Eisen aan de inboekverificateur
De inboekverificateur voert de verificatiewerkzaamheden op een onbevangen en onpartijdige manier uit.
De inboekverificateur is geaccrediteerd voor het onderdeel inboekverificatie van het werkveld hernieuwbare energie vervoer, door de Nederlandse Raad voor Accreditatie (RvA) of door een nationale accreditatieinstelling uit een andere lidstaat van de Europese Unie (EU).
De inboekverificateur mag ook verificaties uitvoeren als hij aantoonbaar een accreditatieprocedure is gestart die nog niet is afgerond.
Informatie over het accreditatieproces is te verkrijgen bij de Raad voor Accreditatie Raad voor Accreditatie (RvA).
Toezicht en handhaving door de NEa
In aanvulling op de inboekverificateur voert ook de NEa periodieke controles op de inboekingen uit. Als sprake is van een onjuiste inboeking dan kan de NEa deze, tot 5 jaar na het kalenderjaar waarop de inboeking betrekking heeft, corrigeren (ambtshalve vaststellen), zie ‘Handhavingsmiddelen’. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar niet vrijblijvende activiteit is.
Inboeken: eigen afweging maken
Brandstofleveranciers hebben voor het verkrijgen van ERE's voor hun brandstoftransitieverplichting de keuze om zelf hernieuwbare energie (zoals biobrandstoffen) te leveren en in te boeken, of de benodigde ERE's te kopen van andere bedrijven (of een combinatie daarvan). Brandstofleveranciers zijn dus niet verplicht om zelf biobrandstoffen bij te mengen.
Naast de kosten en administratieve lasten die gepaard gaan bij het inboeken, moet de brandstofleverancier bij de keuze voor het wel of niet inboeken ook rekening houden met het NEa toezicht op de naleving van de inboekeisen. Niet naleving van de inboekvoorwaarden kan leiden tot handhavend optreden en financiële consequenties hebben. Het is dus belangrijk om te beseffen dat inboeken een vrijwillige, maar geen vrijblijvende activiteit is.
Voorbeelden van kosten en administratieve lasten bij levering van vloeibare biobrandstoffen (niet uitputtend en hoeven niet altijd voor te komen)
Inkoop van vloeibare biobrandstoffen
Opslagtanks en menginstallaties
Certificering met een erkend duurzaamheidssysteem
Bijhouden van duurzaamheidsadministratie en massabalans